dinsdag 28 mei 2024

All the Light We Cannot See

Afgelopen weekend hebben Remco en ik in één ruk op Netflix de vierdelige serie All the Light We Cannot See gekeken. De serie is de verfilming van het gelijknamige boek van Anthony Doerr en speelt zich af aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in het Bretonse Saint-Malo. Belangrijkste personages zijn de blinde Franse Marie-Laure LeBlanc en de Duitse soldaat Werner Pfennig. Wanneer Parijs wordt ingenomen door de Nazi's besluit Daniel, de vader van Marie-Laure en medeweker van het Museum van Natuurlijke Historie, met haar te vluchten naar zijn oom Etienne (fantastisch gespeeld door Hugh Laurie) in Saint-Malo. Om te voorkomen dat de Nazi's de Sea of Flames, een kostbare edelsteen die de eigenaar volgens de legende eeuwig leven schenkt, in handen krijgen neemt Daniel deze mee en verbergt deze later in een maquette van de stad.

Werner Pfennig is een wees die opgroeit in Nazi-Duitsland. Zijn talent voor radio's blijft niet onopgemerkt en dus wordt hij op een kostschool tot radiotechneut opgeleid. Daar wordt Werner onderworpen aan de draconische opvoed- en onderwijsmethoden die de Nazi's blijkbaar noodzakelijk achtten om alle zwakte - lees: menselijkheid, individualiteit en zachtmoedigheid - eruit te slaan. De inlijving in het nazisysteem met zijn leugens en propaganda gaat bij Werner niet van harte. Regelmatig luistert hij via een kortegolfzender naar iemand die zich 'de Professor' noemt. Diens betogen over het goede, ware en schone raken bij hem een snaar en zorgen ervoor dat Werner zich niet laat inpalmen door de Nazi's met hun verknipte wereldbeeld. Het helpt hem zijn gezonde verstand in een zee van waanzin te bewaren, ondanks het feit dat luisteren naar buitenlandse radio-uitzendingen door de Nazi's streng verboden is. Ook Marie-Laure luistert regelmatig naar de Professor. Het is het lijntje dat haar, zonder dat zij het weet, verbindt met Werner en hen later met elkaar in contact brengt.

De Nazi's in All the Light We Cannot See doen bijna karikaturaal aan. Stuk voor stuk zijn het figuren die langs de maatschappelijke ladder omhoog zijn geklommen omdat ze de Nazi-ideologie voor zoete koek slikten of zelfs van harte omarmden. Alle twijfel en kritisch denken zijn ondergeschikt gemaakt aan de wil van de Führer. Wreedheid is tot deugd verheven, wat ook blijkt als de bezetters de bevolking van het belegerde Saint-Malo verbieden de stad te verlaten. De serie laat ook de pseudowetenschappelijke kanten van de rassenleer van de Nazi's zien (schedelmetingen om erachter te komen of iemand wel Arisch genoeg is) en de sterke hang naar occultisme. Eén Nazi-officier - compleet met Hitlerlok - in het bijzonder is obsessief op zoek naar de Sea of Flames om van zijn dodelijke ziekte af te komen. Hij gelooft werkelijk dat de edelsteen magische krachten bezit.

Hoewel de recensies niet altijd lovend zijn boeide de serie ons meteen. Ook omdat, ondanks alle verschillen met de nazitijd er parallellen zijn met de huidige tijd. Een tijd waarin feiten en meningen met elkaar verward worden[1], waarin wetenschap, journalistiek en onafhankelijke rechtspraak[2] onder vuur liggen  en democratisch gekozen politici lak hebben aan diezelfde democratische waarden en openlijk flirten met autocraten als Orban en Poetin. Die 'vrijheid van meningsuiting' vooral van toepassing achten op zichzelf en hun lakeien, maar hun onwelgevallige geluiden meteen verontwaardigd wegzetten als demonisering.

All the Light We Cannot See is fictie. Onlangs las ik Dagboek 1933. Het gevaar van extreemrechts van de Vlaamse filosoof Dirk Verhofstadt. In Dagboek 1933 schetst hij een ontluisterend en onthutsend scherp beeld van wat er in minder dan één jaar tijd in nazi-Duistland gebeurde. Tevens toont Verhofstadt aan dat, hoewel rechtsradicalen en rechtsextremisten zich tegenwoordig naar buiten toe graag als nette en fatsoenlijke mensen profileren, zij zich nog steeds van dezelfde retoriek en waanideeën bedienen. Bepaalde thema's mogen dan 'in de ijskast gezet zijn,' ze zijn nooit bij het grofvuil gezet. Onder de dekmantel van fatsoen worden extreemrechtse thema’s en ideeën steeds verder genormaliseerd en bij het grote publiek ingemasseerd tot alle weerstand en verontwaardiging verdwenen is.

Verhofstadt besluit zijn boek met een citaat van Elie Wiesel: "Het tegenovergestelde van liefde is niet haat, het is onverschilligheid." Het was onverschilligheid bij gewone Duitsers die zorgde voor de snelheid waarmee de Nazi’s hun rechten en vrijheden konden afbreken. "Die onverschilligheid vormt vandaag het grootste gevaar dat dit opnieuw kan gebeuren. Die onverschilligheid geeft extreemrechts de kans om te normaliseren en weer de macht te grijpen." Nu de Europese verkiezingen eraan komen "is het de plicht van iedere kiezer en alle democratische partijen om extremistische partijen niet aan de macht te laten komen. Nu niet, nooit." (Verhofstadt, 2022, p. 330)




[1] In een scene zegt Werner Pfennig dat hij zocht naar de waarheid maar in plaats daarvan slechts meningen te horen kreeg.

[2] Net als in nazi-Duitsland richt radicaal- en extreemrechts bij monde van Wilders, Baudet, Le Pen en anderen zijn pijlen op uitspraken van de rechterlijke macht en trekt van leer tegen onafhankelijke rechters die wereldvreemd of activistisch worden gevonden. Net als Wilders steekt Baudet de loftrompet voor Orbans Hongarije waar de rechterlijke macht niet meer onafhankelijk is.


donderdag 23 mei 2024

Festival voor gelovigen

Ieder jaar organiseert Stichting Opwekking met Pinksteren een conferentie onder dezelfde naam. Van heinde en verre verzamelen gelovigen zich op het festivalterrein in Biddinghuizen, pal naast Walibi Holland, om, zoals op de website staat: 'samen God te aanbidden, te luisteren naar levensveranderende prediking en je te laten raken door onze God.' Eigenlijk is het een soort Lowlands voor christenen, hoewel men liever van een conferentie spreekt dan van een festival. Dat laatste roept immers beelden op van feestende en drinkende festivalgangers.

Hoewel de conferentie inmiddels jaarlijks tienduizenden bezoekers trekt is het ooit klein begonnen in Bennekom, waarna tot 1995 het Veluwse gehucht Vierhouten de locatie was. Tot die tijd stond de conferentie ook onder die naam bekend. Omdat het terrein rond de Paasheuvel en de monumentale Zonnehal te klein werd, en misschien ook omdat het aanpalende dorp - met minder dan 1000 inwoners - genoeg had van de massale toeloop, week het evenement uit naar Biddinghuizen. Hoewel onstaan binnen de Pinksterbeweging trekt Opwekking inmiddels al jaren gelovigen aan uit allerlei kerken. Opwekking is overigens niet helemaal vrij van schandaaltjes. Zo bleek toenmalig opwekkingsopperhoofd Hoekendijk regelmatig dames van lichte zeden te bezoeken.

Stichting Opwekking was/is ook de uitgever van de zogenaamde Opwekkingsliederen, moderne geestelijke liederen in een popachtig jasje. In de beginjaren stond de bundel ook wel bekend als 'het gele boekje.' Dit was aan de voorzijde geïllustreerd met vlammen die het pinkstervuur moesten verbeelden. Jaarlijks wordt aan de bundel een nieuwe reeks liederen toegevoegd. De oudste liederen zijn voornamelijk koortjes van een paar regels met teksten als 'Ik ben zo blij, Jezus redde mij.' Of alleen maar 'Halleluja' wat dat dan als een mantra herhaald wordt. Er is veel kritiek op de liederen. Zo wordt God eenzijdig en voortdurend de hemel in geprezen - als dat al kan - en is er weinig ruimte voor twijfel. Toen er in 2013 een nieuw Liedboek voor de Kerken kwam bleken daar maar weinig Opwekkingsliederen in terecht gekomen te zijn.

Sommige teksten schetsen een bijna romantische sfeer tussen de gelovige en God. Wat te denken van deze tekst?

De muziek vervaagt
langzaam wordt het stil
dan kom ik bij U
met mijn grootste wens
iets te geven Heer
waar U blij mee bent

of:

Liefdevol trekt U mij dicht naar Uw hart als we samen zijn

of deze:

Heer kom dichterbij,
dan kan ik uw schoonheid zien
en uw liefde voelen,
diep in mij.

Natuurlijk zijn deze teksten hier uit hun context gelicht, maar toch. De romantische connotaties zijn duidelijk en roepen een beeld op van een gezellig avondje bij kaarslicht met een wijntje erbij.

In de tijd dat ik nog vertoefde binnen de evangelische en Pinksterbeweging - een tijd die inmiddels vér achter mij ligt - heb ik een paar keer Vierhouten bezocht, waarvan een keer als campinggast. Als kersverse gelovige had ik aanvankelijk geen idee wat deze conferentie was of inhield. 'Ben je nooit naar Vierhouten geweest?' klonk het dan verbaasd. De betreffende dame zei dat ze er ieder jaar weer naar uitzag omdat ze dan haar geestelijke batterij weer kon opladen.

Die keer dat ik als campinggast op Vierhouten vertoefde kan ik mij nog goed heugen. Met een groep van mijn toenmalige gemeente De Ark hadden we een aantal tenten op het terrein gehuurd. Lekker makkelijk en goedkoop en je was zo in de grote tent waarin de diensten of samenkomsten werden gehouden. Het festival - pardon, de conferentie - begon al op vrijdagavond, aan het begin van het Pinksterweekend. Het beloofde een zonnig weekend te worden. Toen we ons installeerden en klaar maakten om naar de eerste dienst te gaan was het bloedje heet. Helaas brak er die nacht een noodweer los. Het tentdoek bleek slechts ten dele in staat de stortbuien tegen te houden waardoor mijn kussen de volgende morgen klam aanvoelde. Het weer was definitief omgeslagen en dus bleef het kussen het hele weekend vochtig.

De volgende dag nestelde zich ook nog eens een flinke hoofdpijn in mijn kop. Ik voelde me akelig, besloot een dienst maar over te slaan en trok mij terug in de klamme tent. Daar wilde een van de dames in ons gezelschap wel voor mij bidden. ‘Heer, wilt U Pieter van zijn hoofdpijn genezen?’ en woorden van gelijke strekking volgden. ‘En nu moet je het wel geloven hè?’ Ik bedankte haar en zei dat ik dat zou doen, maar toen ze eenmaal uit beeld was nam ik snel een paracetamolletje. De hoofpijn liet zich echter niet zonder slag of stoot uitdrijven met een cocktail van gebed en pijnstillers. Uiteindelijk ben ik met mijn zere hoofd op mijn nek en mijn ziel onder mijn arm maar even over het bosrijke terrein gaan lopen. Daar voelde ik een golf van misselijkheid opkomen. Ten overstaan van een paar willekeurige voorbijgangers heb ik vervolgens tussen de varens mijn maag geleegd.

Ik in mijn Opwekkingstijd

Eenmaal opgeknapt heb ik toch een aantal diensten bijgewoond. Wat mij verder van de conferentie is bijgebleven was de deplorabele toestand van het gras, de broeierige en dampige grote tent met de houten klapstoelen en natuurlijk de enorme mensenmassa’s. Ik wilde op een gegeven moment ook wel even douchen om mij op te frissen. Om drukte te vermijden deed ik dat tijdens een van de diensten. Natuurlijk was ik niet de enige die op dit idee kwam, maar al snel had ik toch een leeg douchehokje gevonden in een van de wasruimtes. Helaas bleek de waterdruk erg laag en moest ik het doen met een uiterst dun straaltje water. Vanuit het hokje naast mij, waar een van de jongens uit ons gezelschap zich ook trachtte te douchen, hoorde ik: ‘Pieter, heb jij water?’ ‘Bijna niets,’ zei ik. ‘Ik sta met mijn kont tegen de wand om nog wat druppels op te vangen. Hilariteit.

Nu gun ik iedereen zijn pleziertje maar als ik nu de foto’s en opnames zie van de laatste Opwekkingsconferentie denk ik: laat maar. Aan mij niet meer besteed. Te veel mensen. Ik houd niet van de dit soort massale bijeenkomsten. Daarbij ben ik erg gevoelig voor sfeer. Diensten als deze bij Opwekking beogen met hun opbouw en muziekstijl de gelovige in de juiste stemming te brengen. Het begint allemaal met een paar vrolijke meezingers. Er wordt geklapt en gedanst. De adrenaline begint te stromen. Vervolgens vertraagt het tempo en is het tijd voor stemmige aanbiddingsliederen. De ogen worden gesloten en handen gaan aanbiddend omhoog. De extase en de massaliteit van de samenzang doen de rest, verzwakken het kritisch denkvermogen en zetten de geest wagenwijd open voor beïnvloeding. Ook aan het eind van de preek wordt sfeermuziek ingezet om de aanwezigen bij de les te houden, bijvoorbeeld om zonden te belijden of zich te bekeren.

Nu, ik heb mijn punt wel gemaakt denk ik waarom ik grote religieuze evenementen als Opwekking maar liever oversla.


dinsdag 21 mei 2024

Moedervlekcheck

 Het is een kleine moeite en het kan je een hoop ellende besparen: een regelmatige moedervlekcheck. Een aantal jaren geleden werd ik al eens door mijn toenmalige huisarts doorverwezen naar een dermatoloog. Gelukkig werkte ik toen in het Alrijne Ziekenhuis in Leiderdorp en kon ik tussen de werkzaamheden door even naar afdeling dermatologie. Daar werd door de huidarts iedere moedervlek aan een minutieus onderzoek onderworpen met een dermatoscoop. De aanleiding voor dit onderzoek was een harsbeurt van mijn rug door mijn man Remco een tijdje daarvoor. Na de behandeling bleek toen een klein plekje wat te bloeden. De dermatoloog kon mij geruststellen. Alles zag er rustig uit en het bewuste plekje bleek een ouderdomsvlek te zijn. (“Kan nooit kwaadaardig worden.”)

Blijkbaar heeft de ouder wordende huid de neiging niet alleen wat van zijn elasticiteit te verliezen (uitzakken) maar ook allerlei vlekken, plekken en aangroeisels te produceren. Dit proces begint al rond je dertigste. Nu heb ik het geluk dat Remco opgeleid is tot schoonheidsspecialist. Regelmatig inspecteert hij dus mijn huid – gevraagd en ongevraagd – als ware het een kaart met een ANWB-fietsroute en wijst mij daarbij op bepaalde oneffenheden en schoonheidsfoutjes. Zo ook op een grauw plekje op mijn rug. Dit zit er nu al een tijdje maar was verder niet pijnlijk. Ook andere signalen, zoals jeuk of verkleuren die zouden kunnen duiden op iets ernstigs, bleven uit. Het plekje voelde wel wat ruw aan. Omdat voorkomen beter is dan genezen moedigde Remco mij aan om toch maar even een doktersafspraak te maken. Online was dit zo gepiept

Vanmorgen, 21 mei, zat ik dus als eerste en nog enige ‘patiënt’ al vroeg in de wachtkamer van de huisarts. Even na acht uur verscheen de dienstdoende arts, met de dermatoscoop al in de aanslag, in de deuropening. “Meneer Hartevelt? Komt u maar mee. De spreekkamer is boven.” Na even te hebben gevraagd hoe het ging en of er sprake was van gevallen van huidkanker (melanomen) in de familie wilde ze even kijken. Ik deed mijn T-shirt uit en wees naar het bewuste plekje. “Hm ja, ik zie het al,” zei ze, terwijl ze aandachtig mijn huid door het kijkertje bestudeerde. “Het is inderdaad een ouderdomsvlek of ouderdomswratje.”[1] En er bleken er meer van te zijn. “Alles ziet er verder rustig uit,” zei de arts. “Met zo’n dermatoscoop kun je makkelijk en snel zien of er iets mis is.” Na wat adviezen meegekregen te hebben zoals: “blijf niet te lang in de zon, smeer je goed in, houd rare vlekjes in de gaten en laat je jaarlijks even checken,” stond ik binnen 15 minuten alweer buiten en kon gerustgesteld mijn fiets van het slot halen.



[1] Eerlijk gezegd vind ik vlek wat vriendelijker klinken dan wrat dus geef ik daar de voorkeur aan. Ook de medische benaming voor ouderdomswrat (verruca senilis) klinkt wat minder flatteus. In plaats daarvan wordt ook wel gesproken van verruca seborrhoica (vettige wrat) hoewel ook dit niet heel erg smakelijk klinkt.

woensdag 15 mei 2024

Herinneringen aan Egypte

Bij het omkeren van de doos met oude foto's kwam ik niet alleen kiekjes tegen van vakanties in Griekenland, of van mijn eerder vermeldde reis naar Wit-Rusland. Er zat ook nog een aardige collectie plaatjes in van mijn vakantie in 1991 in Egypte, een reis waar ik met gemengde gevoelens op terugkijk. Egypte bezoeken stond altijd hoog op mijn bucketlist. Ik zag dan ook erg uit naar deze groepsreis door het land van de farao's.

Drukte bij de pond naar Luxor

De vlucht ernaartoe was oké. Het cabinepersoneel had echter een bekende gespot en klitte daar voortdurend kwebbelend omheen. Wanneer een andere passagier even de aandacht vroeg werd er lichtelijk geïrriteerd gereageerd. Uiteindelijk landde het vliegtuig probleemloos op het vliegveld van Hurghada, een tussenstop op een vlucht die ons naar Caïro moest brengen.

De rit van het vliegveld van Caïro naar ons eerste hotel was alleen al de moeite van de hele reis waard. Zelden had ik zo'n chaos gezien. De enige verkeersregel was blijkbaar zoveel mogelijk toeteren en foeteren en doorrijden. De fly-overs liepen soms rakelings langs grauwe woonblokken met nauwelijks gevels zodat je bijna bij de families die er woonden het eten van de tafel kon graaien.

Kolossen van Memnon

De eerste overnachting was in het Windsor Hotel waarvan de architectuur, naam en het interieur deden vermoeden dat het een reliek was uit de tijd dat de Britten er nog de dienst uitmaakten. Alles ademde nog de koloniale sfeer, zij het met wat slijtplekken hier en daar. De kamer was redelijk en schoon. Aan de muur zat een enorme airconditioning. Deze was hard nodig gezien de hitte. Het enige probleem was dat het apparaat ongeveer net zoveel geluid maakte als een flinke tractor.

De reis was als volgt gepland. Na de eerste overnachting zouden we het Egyptisch Museum bezoeken om daar de schatten van Toetanchamon te bewonderen. Daarna was het meteen met de bus naar het zuiden, om via El Minya naar Luxor te reizen. Vandaar was het verder met de trein naar Aswan vanwaar we dan met traditionele zeilbootjes (feluccas) de Nijl zouden afzakken, terug naar Luxor.

Vanaf Luxor was het met de bus door de woestijn naar de Rode Zee voor een verblijf in een resort in Hurghada. Met de boot ging het vervolgens over de Rode Zee naar de badplaats Sharm el Sheikh op de zuidpunt van de Sinaï. Uiteindelijk zou de reis weer eindigen in Caïro en stond een bezoek aan de sfinx en de piramiden als afsluitend hoogtepunt op het programma.

Nijl met felucca

Ik heb het alleen niet gered. Al na de eerste ovenachting sloeg de 'vloek van de farao' toe in de vorm van aanhoudende darmklachten. Er werd ons al vanaf dag een gesommeerd om zoveel mogelijk te drinken, maar al het water dat niet uit een verzegelde fles kwam te vermijden. Dus ook tandenpoetsen met flessenwater. Het mocht niet baten. Geregeld liep ik leeg van onderen en voelde ik me zo slap als een vaatdoek. Ik geloof dat het in Luxor was dat er een arts gehaald werd om mij te onderzoeken. Die had al gauw door wat er aan de hand was. Een bacterie had zich in mijn lijf genesteld en dus kreeg ik antibiotica. Kosten voor het consult en de medicatie: 80 Egyptische ponden, ofwel 40 gulden.

Uiteindelijk was ik voldoende opgeknapt om deel te kunnen nemen aan verschillende uitstapjes zoals naar het Dal van de Koningen en het indrukwekkende Karnak. De warmte was overdag niet te harden - het idee dat het droge warmte was, en dus dragelijker, kun je met dergelijke temperaturen (bijna 50!) gerust naar het rijk der fabelen verwijzen - zodat deze uitstapjes vaak 's morgens vroeg plaatvonden.

Tempel van Hatsjepsoet

Bij elke tempel en ieder monument stikte het ook van de verkopers die ons van alles in de handen duwden om eraan toe te voegen: 'You name price.' Tijdens de lichtshow in het tempelcomplex van Karnak werd het publiek door een aardige meneer thee aangeboden. Bij het ophalen van de glazen gebaarde hij dat de thee wel betaald diende te worden. Een Engelse dame in de rij voor mij riep daarop verontwaardigd uit: 'I didn't ask for it!'

De treinreis naar Aswan was een nog grotere cultuurshock dan de busrit door Caïro. De stank en de hitte waren overweldigend. De wc was zó smerig dat elke aandrang om te gaan meteen verdween. Eenmaal in Aswan trok ik mij een dag terug in het hotel om een beetje bij te komen. Een deel van ons gezelschap ging naar de beroemde dam en de tempels van Aboe Simpel, ooit gered van het stijgende water van het Nassermeer door ingrijpen van UNESCO. 's Avonds, tijdens het eten, moest ik vernemen dat er een brandje was geweest in het hotel. Nee, ik had er niets van gemerkt en was door alles heen geslapen.

Horusbeeld in Edfu

Ook anderen in ons reisgezelschap hadden intussen darmklachten opgelopen. Nogal een uitdaging als je een aantal dagen verblijft op traditionele zeilbootjes zonder sanitaire voorzieningen. Regelmatig wendde de stuurman - een indrukwekkende Nubiër met een imposante bos kroeshaar - dan ook de steven naar de oever. Wanneer de loopplank eenmaal de boot met de oever verbond snelde een van de passagiers met een rol wc-papier van boord om tussen de mais zijn of haar behoefte te doen.

Bijzonder indrukwekkend was de sterrenhemel. Tijdens een overnachting -  we sliepen op het dek onder de blote hemel - werd ik wakker uit een rare droom waarin ik psalmen zingend op een giraf door de maisvelden reed. Ik had geen idee waar ik mij bevond en kon alleen maar denken: 'Wat raar! Het dak is weg! Ik zie allemaal sterren!' Even later wist ik weer waar ik was en merkte ik dat ik naar de wc moest. Ik stootte mijn buurman aan. Deze hielp mij aan een paar schoenen. In het donker was het onmogelijk om te zien of het mijn schoenen waren. Ik rende de oever op waar ik tussen de mais tot de enkels in de blubber zakte. Toen eenmaal de zon opkwam hoorde ik iemand zich hardop afvragen waarom zijn schoenen ineens zo vies waren.

Kapitelen van zuilen in Karnak

Inmiddels had ik al aangegeven dat ik de vakantie wilde bekorten. De hostess en de gids hadden kunnen regelen dat ik een kleine week eerder vanuit Caïro terug naar Nederland zou gaan. Vanuit Luxor reden we met de bus naar het resort in Hurghada. De luxe daar was een verademing. Met de boot stak ons gezelschap de volgende dag de Rode Zee over naar Sharm el Sheikh. Eenmaal buitengaats stak er een flinke wind op. Het niet al te grote bootje werd door de opgezweepte golven flink heen en weer geslingerd. Iets wat bij de meesten aan boord acute zeeziekte veroorzaakte. Ook een pan soep belandde in de kombuis met een klap op de vloer. Bovenop het dek lagen de uitgetelde passagiers te kermen van misère. En ik? Ik had negens last van en genoot op de voorplecht van de vaartocht. Pas in de haven van Sharm el Sheikh merkte ik dat mijn hoofd pijnlijk verbrand was waardoor ik de komende dag mij angstvallig uit de zon hield.

Voor mij kwam het einde van mijn 'droomreis' in Sharm el Sheikh in zicht. Terwijl de rest van het gezelschap de bus nam naar het Catharinaklooster bij de berg Sinaï nam ik de streekbus naar Caïro. Een jongedame in onze groep zou sowieso al eerder huiswaarts keren en stelde het gezelschap wel op prijs. Enkele uren later reed de bus via een tunnel onder het Suezkanaal door. In de namiddag eindigde de busrit bij een busstation in Caïro waar iemand van de reisorganisatie ons ophaalde. Na een laatste overnachting in het Windsor Hotel werden we de volgende dag per taxi naar het vliegveld gereden.

Door het voortijdige einde van deze vakantie heb ik de piramiden dus niet kunnen zien. Het interesseerde mij op dat moment ook geen fluit. Ik wilde naar huis, bijkomen. Op de reünie, een aantal maanden later, heb ik nog wel de foto's gezien van de anderen die de reis wel hadden voltooid. Allemaal vrolijk lachende mensen bij de sfinx en de grote piramide en met kamelen. Achteraf gezien heb ik wel eens gedacht: ik had gewoon vol moeten houden, met dichtgeknepen kringspier desnoods. Als iemand mij nu vraagt of ik niet alsnog de piramiden zou willen bezoeken zeg ik uiteraard ja. Maar alleen als ik er niet naar Egypte voor hoef.

dinsdag 14 mei 2024

Toekomstmuziek

Als kind verslond ik al sciencefictionboeken. Sciencefiction wist mij in mijn verbeelding mee te nemen naar verre en exotische werelden bevolkt met buitenissige buitenaardse levensvormen, of naar een verre toekomst met sneller-dan-lichtruimteschepen waarmee je in een ogenblik van het ene sterrenstelsel naar de andere kon reizen. Futuristische huizen met veel glas waren standaard voorzien van robots en computers en telefoons met beeldschermen. Auto’s zouden kunnen vliegen en de wereld was over het algemeen een stuk aangenamer oord geworden. Oorlog, honger en armoede waren de wereld uit omdat er een wereldregering was die zorgde voor een permanente vrede en welvaart voor iedereen.

Opgroeiend in het post-Apollotijdperk meende ik dat het slechts een kwestie van enkele jaren zou zijn tot er ook mensen op Mars zouden landen. Rond 2000 zouden er dan toch echt mensen op de maan wonen. In de Britse sciencefictionserie Space 1999 was het al zover. Een groep maanbewoners beleefde avonturen in de ruimte nadat de maan door een ramp met radioactief afval - je moet toch ergens je troep kwijt - uit haar baan was geslingerd.

Star Trek schetste ook een optimistisch beeld van de toekomst. Iedere zondagmiddag zat ik met rode oortjes naar de avonturen van Captain Kirk en zijn logische Vulcaanse wetenschapsofficier Mr. Spock (niet te verwarren met de kinderarts Dr. Benjamin Spock) te kijken. Aan boord van de Starship Enterprise was het een al pais en vree tussen blank en zwart en voormalige en toenmalige vijanden van de VS: Japanners en Russen, gingen stoutmoedig mee op avontuur naar waar nog nooit een man (!) was geweest. Natuurlijk was er ook wel eens stront aan de knikker. Anders heb je geen spannende tv. Bij Star Trek waren het over het algemeen de onbehouwen en onbetrouwbare Klingons waar men het mee aan de stok had en zorgden voor wat knok- en schietwerk.

Regelmatig nam ik stapels sciencefictionboeken mee uit de Openbare Bibliotheek van Katwijk aan Zee. Schrijvers als Arthur C. Clarke, Isaac Asimov, Robert Heinlein en A.E. Van Vogt hoorden tot de grootheden van de SF. In Clarke’s Stad onder de sterren (The City and the Stars) bijvoorbeeld nam de schrijver mij mee naar Diaspar, de laatste stad op aarde, miljarden jaren in de toekomst. Ik heb de Nederlandse en de oorspronkelijke Engelstalige versie meerdere keren gelezen.


Veruit favoriet was Duin van Frank Herbert. Aanvankelijk had ik moeite om verder dan het eerste hoofdstuk te lezen, maar toen het verhaal mij eenmaal pakte was er geen houden meer aan en verslond ik de hele pil in no time. Duin is het relaas van de adellijke Paul Atreides die op de woestijnplaneet Arrakis of Duin terecht komt. Duin is de enige plek in de Melkweg waar de specie (spice) voorkomt, een bewustzijnsverruimende stof die de Navigators in staat stelden door de ruimte te reizen. Wie Duin beheerst, beheerst dus het heelal. Daarna móést ik ook de volgende delen lezen: Duin Messias, Kinderen van Duin, God-keizer van Duin, Ketters van Duin en Duin Kapittel.

De laatste jaren werden in het Nederlands nog maar weinig sciencefictionboeken uitgegeven. Het genre lag een beetje op zijn gat. Fantasy met zijn elfen en tovenaars deed en doet het nog wel goed. Er zijn verschillende verklaringen hiervoor. Ten eerste leek de oude sciencefiction door de tijd ingehaald. Het is ook moeilijk om een toekomstscenario te bedenken los van de context en de tijd waarin men leeft. Maar inmiddels lijkt het genre aan een comeback bezig. Denk maar aan het succes van Het Drielichamenprobleem van Cixin Liu en de boeken van Adrian Tchaikovsky.

Veel zaken zijn (nog) niet gerealiseerd, zoals een basis op de maan – in het Apollo-tijdperk een reëel toekomstscenario – en er is nog steeds geen contact gelegd met eventuele buitenaardsen. Tijdmachines zijn onmogelijk. De huidige computertechnologie met het internet en smartphones hebben daarentegen weinigen voorzien. Daardoor komt sciencefiction uit de oude doos oubollig over en blijkbaar is er nu meer een hang naar de romantiek van het sprookje, een vlucht uit onze vertechnologiseerde wereld.

Een tijdje geleden las ik ‘Filosofie van de toekomst, over nut en noodzaak van sciencefiction’ van Fred Keijzer. Net als ik was Keijzer gegrepen door de werelden die door de sciencefictionschrijvers waren bedacht: alternatieve geschiedenissen, parallelle universums en rijken op galactische schaal. Keijzer wil een lans breken voor goede SF omdat deze zich vooral bezighoudt met de vraag: ‘wat als?’ Wat als aliens hier op aarde landen? Wat als we honderden jaren oud kunnen worden? Wat als intelligente machines het stokje van ons overnemen? Wat als je woont in een wereld die door een kernoorlog is getroffen? Wat als door de opwarming van de aarde grote gebieden onbewoonbaar zijn geworden? Dit zijn filosofische vragen á la Immanuel Kant: wat kan ik weten, wat moet ik doen, wat mag ik hopen, en wat is de mens? 

Meer dan de gewone literatuur kan sciencefiction een bron zijn  van beelden en ideeën die ons kunnen helpen om vooruit te kijken en onszelf steeds opnieuw uit te vinden in een tijd waarin wetenschappelijke, technologische,  politieke en culturele veranderingen de wereld er elke tien jaar anders uit kunnen laten zien. (Keijzer, p.66) Sciencefiction is geen waarzeggerij of profetie, maar sciencefictionschrijvers kunnen wel de vinger op de zere plek leggen en van daaruit een wat-als-scenario bedenken als bepaalde ontwikkelingen zich doorzetten. 

“Het is hoog tijd dat we onze ogen openen voor de mogelijke werelden van morgen” zegt Keijzer. Sciencefiction is niet ieders cup of tea, maar kan de geest wel openen voor wat zou kunnen zijn. “Het plaatst onze dagelijksheid binnen een andere en vaak bredere horizon van mogelijkheden en gevaren.” (Keijzer, p.180) Verbeelding staat in Nederland in een kwade reuk (“verbeeld je maar niks”) maar ik wens iedereen, van schoonmaker tot beleidsmaker, veel verbeelding in de goede zin van het woord: visie en goede wil voor een betere toekomst en een menswaardig leven voor iedereen.

Voor wie meer wil lezen:

Filosofie van de toekomst, over nut en noodzaak van sciencefiction

Auteur: Fred Keijzer

Uitgever: Lemniscaat, Uitgeverij

195 pagina's

vrijdag 10 mei 2024

Ik zal je pakken (zei de toverheks)

Op schrijven over het Eurovisie Songfestival zul je mij niet snel betrappen. Dit omdat mij niet als kenner, noch als een echte fan beschouw. Ik loop er ongeveer net zo warm voor als voor een EK-voetbalmatch. Ik kijk mee. Vaak met gekromde tenen, dan weer licht verveeld, geamuseerd of verbaasd. Een enkele keer wordt ik regelrecht uit mijn sokken geblazen door wat ik zie en hoor. Of het nu gaat om de met licht- en vuurwerkshows opgetuigde acts, de slechte zang van de uitvoerende artiesten en hun extravagante outfits of juist het ontbreken van kleding zoals bij de Finse inzending het geval was.

De eerste voorronde heb ik slechts zijdelings gevolgd. (Net als de tweede.) Manlief was geveld door een buikgriepje en lag dinsdagavond vroeg in bed. Ik verklaarde mij solidair door naast hem te gaan liggen maar had daarbij wel een boek meegenomen om mij door de minder interessante delen van het liedjesfestijn heen te loodsen. Alhoewel een boek met de titel ‘The Allure of the Multiverse’ eerder vraagt om gelezen te worden in een rustige omgeving zonder het Songfestival als muzikaal behang.

Wat mij al snel terughaalde uit mijn literaire uitstapje naar het multiversum was de Ierse zangeres met de lief-stoere naam Bambie Thug. Met stijgende verbazing zag en hoorde ik hoe de zelfverklaarde heks tijdens de uitvoering van haar lied Doomsday Blue haar toverspreuken en verwensingen (“Avada Kedavra, I speak to destroy”) krijsend over het publiek uitstortte. Onwillekeurig moest ik denken aan het liedje ‘Katootje’ (je weet wel, die naar de botermarkt ging) waarin staat: “’k zal je pakken, ‘k zal je pakken,’ zei de toverheks.” Maar daar houdt de overeenkomst ook op.

Bambie Ray Robinson (haar echte naam) identificeert zich als non-binair en doorspekt haar songteksten met verwijzingen naar hekserij en drugsgebruik. Dit is voor velen al een reden om meteen in een soort zelfontbranding van boosheid uit te barsten. In Ierland was de kritiek dan ook niet van de lucht, met name van ultrarechtse zijde. Zo had Hermann Kelly, voorzitter van de Irish Freedom Party getweet dat Robinsons Doomsday Blue woke onzin was en satanisme promootte.

Nu raak niet snel over mijn toeren als een artiest in haar songs naar magie of occulte zaken verwijst. Ik geloof er zelf niet in, maar dit terzijde. Helaas is het tegenwoordig zo dat men dan meteen maar de betreffende artiest die dit wel doet het stempel ‘satanist’ meegeeft. Blijkbaar is de duivel met een soort comeback bezig. 'Satanist' is een label geworden dat op van alles en nog wat geplakt wordt wat men niet begrijpt of waar men het niet mee eens is.

Robinson noemt zich paganist. Of Robinson met haar act een goed beeld geeft van paganisme of het juiste uithangbord daarvoor is, is twijfelachtig. Voor velen is het een bevestiging dat het Songfestival een satanische mis is, gevierd op het hoogaltaar van de wansmaak. Maar ook veel paganisten herkennen zich echter niet in wat Robinson  opvoert.

Paganisme of modern heidendom borduurt voort op oudere, voorchristelijke tradities en religies. De natuur speelt in het paganisme een grote rol. Voor wie meer wil weten, zie Heartfield's Planet: Een supernova aan spirituele stromingen (heartfieldsplanet.blogspot.com). Het is echter fout om te denken dat satanisme en paganisme hetzelfde zijn. Satan of de duivel, hoe paradoxaal dit misschien ook klinkt, is een figuur uit de christelijke traditie en mythologie.

Na de kerstening van Europa werden veel inheemse goden als Thor of Zeus gelijkgesteld aan de duivel. Waarschijnlijk om de nieuwbakken gelovigen ervan te weerhouden terug te keren naar hun oude religie. Overigens lukte dat maar ten dele. Zo bleven lange tijd veel heidense gebruiken buiten het zicht van de kerk gewoon voortbestaan.

Dat Robinson met haar optreden tegen veel naar rechts gekamde haren instrijkt pleit voor haar. Het gaat hier niet alleen maar om verschil in muzikale voorkeur of smaak. Het hele Songfestival ligt sowieso vanuit de rechterflank onder vuur en wordt beticht van wokisme en LHBTIQ+ propaganda. Over ‘woke’ valt veel te zeggen maar het is tegenwoordig vooral een stok geworden om vanuit rechts uit te halen naar alles wat daar kokhalsreflexen opwekt, en met wortel en tak uitgerukt moet worden.

Dat veel LHBTIQ-ers zich aangetrokken voelen tot paganisme en wicca, ook wel moderne  hekserij genoemd, heeft vaak te maken met de afwijzing, veroordeling en uitsluiting die zij hebben ervaren binnen de christelijke religie of kerk. Het paganisme kent geen hiërarchische organisatie, instituties of dogma’s die zeggen wat je moet geloven of hoe je moet leven. Het is een soort bricolage-geloof, opgebouwd uit elementen waarvan je vindt dat die bij je passen. Als er al een geloofsbelijdenis is, dan is deze zo samen te vatten: doe wat je wilt, maar doe niemand schade. Dat lijkt me een mooi uitgangspunt.

Nu politici als Orban (Hongarije), Kelly (Ierland) en anderen - rollend met hun ogen en met schuim op hun mondhoeken - zich uitspreken tégen het Songfestival vanwege wokisme of LHBTIQ-propaganda denk ik dat artiesten zoals Barbie Thug (ongeacht de eigen muzikale voorkeur of smaak) alleen maar steun en applaus verdienen. Omdat, zoals Star Trek acteur George Takei op Facebook zei “ze precies de juiste mensen van streek maakt.” Pak ze dus maar, toverheks. Daarvoor krijgt Barbie Thug van mij voor haar tenenkrommende act 12 points.

Overigens wil ik er nog aan toevoegen dat ik hoop dat het Songfestival ooit vooral weer om de kwaliteit van de zang en de compositie van het lied gaat en niet om hoe gekker hoe beter.

vrijdag 26 april 2024

Herinneringen aan Wit-Rusland


Op Prime is de serie The Romanoffs te zien. Hierin wordt het wel en wee gevolgd van een aantal fictieve hedendaagse nazaten van de Russische koninklijke familie. In het voorlaatste deel zien we hoe de Amerikaanse Anka, zelf een Romanoff, en haar man Joe afreizen naar een winters Vladivostok om daar een kind te adopteren. Dit omdat Anka zelf geen kinderen kan krijgen.

Onwillekeurig moest ik, toen ik de beelden zag van de besneeuwde stad - waarvan ik niet weet of dit het echte Vladivostok is - denken aan mijn bezoek aan Wit-Rusland, helemaal aan de andere kant van de Euraziatische landmassa. Dit was begin jaren negentig. Ik keerde de doos met foto's om en haalde er een paar uit om mijn geheugen op te frissen. De foto boven dit blogje is er een van. Verder hieronder nog meer foto's.

Straat bij het hotel in Brest

Met een bus volgeladen met stichtelijke lectuur en medische goederen reed ons gezelschap die zomer vanuit Aalsmeer richting het oosten. Wat ik me herinner is dat naarmate de reis ons verder achter het voormalige IJzeren Gordijn bracht het landschap en de gebouwen steeds troostelozer werden. De eerste stop was net over de Duits-Poolse grens. Blijkbaar waren westerlingen nog een bezienswaardigheid en een groepje Poolse jochies bedelde om Duitse Marken. De zoute drop die ik uitdeelde werd niet gewaardeerd.

De dag erna passeerden we bij Brest de grens met Wit-Rusland. Daar verbleven we in een hotel waar voorheen vooral partijbonzen van de  Communistische Partij overnachtten. Via de hoofdstad Minsk reden we de volgende dag naar Vitebsk, in het noordoosten van het land, waar we een tijdje zouden overnachten bij Wit-Russische gastgezinnen. Het zuiden van het land, tegen Oekraïne, was toen een no-go area. Dit vanwege de radioactieve fall-out die na de ramp in Tsjernobyl een paar jaar daarvoor over het gebied was neergedwarreld.

Vitebsk aan de Dwina

De flats in Vitebsk boden een treurige aanblik. Een deel van het openbare groen rond de flats werd gebruikt om aardappels te telen. De trappenhuizen waren donkere betonnen schachten en de liften deden het vaak niet. Wat ik mij ook herinner waren de grote muggen die 's avonds de kamer onveilig maakten. Een keer heb ik een fors aantal met een slipper tegen het plafond doodgeslagen. De volgende dag was het bloedbad goed te zien door de vele rode vlekken in de witkalk.

Ons gezelschap bleek de nodige aandacht te trekken. De volwassenen hielden zich vaak wat op afstand, maar de kinderen dromden nieuwsgierig om ons heen. Een meisje (zie foto hieronder) in het bijzonder was voor de duvel niet bang en probeerde voortdurend de aandacht te trekken. Van het gastgezin heb ik alleen de moeder en haar kinderen - twee jongens en een meisje - gezien. Blijkbaar was de vader zo gemarineerd in de wodka dat hij zijn roes uitsliep is zijn volkstuintje.


Van de jongens kan mij zelfs hun naam nog herinneren: Oleg en Sasha. (Zie foto bovenaan dit blogje.) De oudste probeerde mij nog wel eens voor een potje voetbal uit te dagen en trachtte mij daarbij ook wat Wit-Russische woorden bij te brengen. De jongste was vooral heel aanhankelijk. Ik had op dat moment het gevoel een beetje zijn substituut vader te zijn. De gastvrijheid was hartverwarmend. Het was duidelijk dat de mensen daar, met beperkte middelen die ze hadden, probeerden het ons zo geriefelijk mogelijk te maken. Daardoor zullen ze zelf vaak een hap minder gegeten hebben.

Het gastgezin

Een keer werd ik op straat aangeklampt door een verwilderde man. Zijn broek werd op zijn plaats gehouden met een stuk touw. Hij stelde zich voor als Boris. Boris was een veteraan van de oorlog in Afghanistan. Het leek hem wel een goed idee als hij met ons mee zou gaan naar Nederland zodat ik voor hem kon zorgen. Zo vertaalde onze tolk Irina althans. We hebben het maar niet gedaan. 

Vervolgens maakte ik kennis met de klantvriendelijkheid - of het ontbreken daarvan - van een winkelmedewerker in vrijwel lege winkel. Ik wilde graag wat Fanta kopen. Daarvoor moest ik eerst naar een loket om af te rekenen om vervolgens met het betaalbewijs naar de verkoopster te gaan. Het flesje was behoorlijk vies en ik maakte er een opmerking over tegen Irina. Deze stak een tirade af tegen de verkoopster die na wat tegensputteren met frisse tegenzin een gore dweil uit een emmer viste en daarmee het flesje knaloranje fris afsopte. 'Wat zei ze?' vroeg ik Irina. 'Dat ze niet betaald wordt om schoon te maken,' antwoordde deze.

Een andere herinnering betreft het sanitair. Over het algemeen waren de toiletten niet veel anders dan wat je in Nederland aantrof. Veel openbare toiletten waren echter van die hurkdingen waar de poep meer aan de wand zat dan in de pot. Een keer moest ik naar de wc in een theater. Nietsvermoedend trok ik een van de toiletdeuren open en stootte bijna mijn schenen. Tot mijn grote verbazing zag ik dat de wc-potten tot aan de rand in beton gegoten waren - dus niet ingegraven - om zo van een gewone pot een geïmproviseerd hurktoilet te maken. Niet erg handig bij hoge nood of als je slecht ter been bent.

Waar Lenin nog steeds op een voetstuk staat

Als ik nu dezelfde plaatsen bekijk op Google Maps ziet het er allemaal wat minder mistroostig uit dan toen.  Denkend aan Oleg en Sasha en al die anderen denk ik wel eens: hoe zou het ze vergaan zijn? Ik kan er alleen maar naar raden. Maar ik hoop dat het goed met ze gaat.




Nein sagen

  Ik mag graag een boekwinkel bezoeken wanneer ik op vakantie ben. Duitsland is een land waar er veel te vinden zijn, zoals die van de grote...