De volgende tekst is een weergave van de overdenking die ik heb gehouden in de dienst in de Remonstrantse kerk in Den Haag op 14 juni 2026. De lezing was uit het boek Wijsheid, hoofdstuk 2 verzen 1 tot en met 11.
Als u uw
klassiekers kent dan weet u wellicht waar ik de afbeelding op de liturgie
vandaan gehaald heb. Op de voorkant staan twee plaatjes uit een stripalbum dat
gaat over een van de vele avonturen van Asterix de Galliër en zijn
onafscheidelijke metgezel Obelix, de stoere maar ook wat naïeve steenhouwer met
zijn bovenmenselijke kracht en voorliefde voor everzwijnvlees.
Traditiegetrouw
eindigt ieder avontuur in het dorp met een groot feestmaal om de goede afloop
met elkaar te vieren. Het is een en al vrolijkheid. Er wordt gegeten, gedronken en
gezongen. Behalve door de bard die vanwege zijn krassende stemgeluid gekneveld en vastgebonden wordt om de feestvreugde niet te bederven.
Op dit
plaatje (uit het album Asterix en de Helvetiërs) wordt ook gefeest, maar van
echte feestvreugde lijkt geen sprake. Zo zegt het opschrift: ‘De vrolijke sfeer
die er in het Gallische dorp heerst, is beslist niet aanwezig in het paleis van
Gaius, de omvangrijke (Romeinse) gouverneur, terwijl er toch van alles aan
gedaan wordt om de mensen te amuseren.’
In de
bedompte paleis doen de gasten van Gaius zich op decadente wijze te goed aan
spijzen en drank maar de stemming wil er maar niet in komen. Onder het vernisje
van vermaak schuilt een niet te verzadigen verveling die van de gezichten is af te lezen.
Behalve
decadent is Gaius ook corrupt. De opbrengsten van de belasting verdwijnen
grotendeels in ’s mans eigen zak en slechts een klein deel wordt afgedragen aan
Rome. Als zijn tolgaarder hem vraagt of dat wel zo wijs is antwoordt Gaius dat
hij maar voor een jaar is aangesteld en dan zijn slag moet slaan. Tegen de tijd
dat Rome er lucht van krijgt is Gaius ver van Rome en heel erg rijk zodat de
rest van zijn leven een groot feest zal zijn.
Het gedeelte
uit het boek Wijsheid dat we hebben gelezen lijkt in veel opzichten op het boek
Prediker. Toen ik vorig jaar in november hier voorging las ik bijvoorbeeld:
‘…eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles
wat je doet allang met welbehagen aan. Draag altijd vrolijke kleren, kies een
feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op
alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en
vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is
het loon dat God je heeft gegeven.’
De auteur
van Wijsheid kopieert en plak uit Prediker maar neemt er ook afstand van.
Predikers verzuchtingen: geniet van het leven, eet en drink, want dat is een
godsgeschenk in het korte leven, dat ieder moment zijn glans kan verliezen door
ziekte, ouderdom en dood. Waarom wachten tot het moment dat je de fut er niet
meer voor hebt. Voor Prediker is het duidelijk. Wat er ná het leven komt zal
niet veel soeps zijn.
Het leven is
kort maar de auteur van het boek Wijsheid plaatst het in het licht van de
eeuwigheid. Wat de mens doet heeft consequenties. Wijsheid moet dan ook gezien
worden als een weerwoord tegen de Griekse filosofie van Epicurus waar het
najagen van genot als levensvervulling wordt gezien. In de lijn van de
Hebreeuwse bijbel verbindt de auteur wijsheid met rechtvaardigheid. De
gedachtegang van de goddelozen zoals hij die verwoordt doet ongewoon modern
aan: ‘Toevallig worden wij geboren en hierna zullen wij zijn alsof we er niet
geweest zijn.’ Het lichaam vergaat tot as en de geest vervliegt als ijle lucht.
Dat er een uiterste houdbaarheidsdatum aan het leven zit moge duidelijk zijn. Maar is Prediker redelijk positief over het genieten van eten en drinken en andere leuke dingen, de schrijver van Wijsheid bespeurt hier ook een gevaar in het te ver doorvoeren van deze gedachtegang. Zijn ‘goddelozen’ worden door de zorgeloosheid van de jeugd - die grenst aan roekeloosheid en onverschilligheid - gemotiveerd om de dingen te doen die zij doen.
Niet
gehinderd door enige terughoudendheid moet deze gedachtegang een excuus zijn om
zich uit te leven op mensen die zwak zijn of in armoe leven. Die worden zelfs
als een affront gezien, als lastig. Als hindernissen die hun vrolijke leventje
bederven. Zij rechtvaardigen hun gedrag door hun beroep te doen op hun kracht.
De sterke bepaalt zelf wel wat goed is en de zwakke moet hun klappen maar
ondergaan.
Het lijkt of
het aanpakken van de zwakke, de arme, de grijsaard een verzetje is. Al met al
lijkt de pret geen echte vreugde te zijn. Het getuigt van nihilisme. Van ennui;
existentiële, ondraaglijke verveling als levensstijl. Verveling die door de
makers van Asterix zo scherp en met de nodige ironie verbeeldt wordt in het
plaatje op de voorkant van de liturgie.
Waar bij
Prediker nog sprake is van een zekere gemoedelijkheid is in de woorden van
Wijsheid eerder sprake van een soort graaicultuur, een hebberigheid die een
verbeelding lijkt van een drijfveer om te pakken wat je kan, koste wat kost.
‘Laten we de schepping met gretigheid benutten, zorgeloos als de jeugd.’ Ofwel:
kijk niet verder dan je neus lang is.
We zijn
jong, en hoewel het leven kort is hebben we nog wel wat jaartjes voor ons
liggen. Wie doet ons wat? Het is niet God, die ze het goede geeft. Het is hun
lot. Ze verdienen het. Het is een mentaliteit die verdacht veel lijkt op de
huidige omgang met de verschillende crises, die op ons afkomen of waar we in
zitten.
Met name
rond het klimaat en de toenemend extreem gedachtegoed en de normalisering
ervan. Met name waar fascistoïde tendensen het publieke debat, politiek en
media binnendringen met hun verheerlijking van geweld en het bewieroken van
autocratische leiders zouden alle alarmbellen af moeten gaan. In plaats daarvan
krijgen ze een plaats aan de talkshow tafel.
In Wijsheid
gaat de auteur ervanuit dat de rechtvaardige uiteindelijk zijn of haar loon
krijgt, waar in Prediker dat nog maar de vraag is. We kunnen er inderdaad ons
bij afvragen of dit geen smoes is, een zoethoudertje van: stil maar, wacht
maar. Voor de auteur van Wijsheid is de mens een afspiegeling van Gods wezen en
draagt deze iets van eeuwigheidswaarde in zich.
In een
gesprek met Barack Obama zegt de schrijfster Marilynne Robinson[1]
dat zij gelooft dat alle mensen beelddragers van God zijn. Het is het mens-zijn
dat het respect en de liefde van God, die daarin geïmpliceerd is, afdwingt.
Waar echter de ander als onguur, bedreigend of gevaarlijk wordt gezien
(Robinson noemt dit de sinister other) is dit een slechte zaak in alle
gevallen.
Maar wanneer
dit idee van de ‘sinistere’ ander – waarin wat goed is als boosaardig wordt
gezien en allerlei complottheorieën opduiken – het politieke discours
binnenkomt is dat een extreem gevaarlijke ontwikkeling die knaagt aan de
fundamenten van de democratie. Democratie veronderstelt immers dat men het
goede voorheeft met anderen, of in ieder geval daartoe bereid is.
Een
gevaarlijk ontwikkeling die daarmee gepaard lijkt te gaan is die van een steeds
grotere ongelijkheid tussen rijk en arm, van een steeds rijke wordende kleine
groep van superrijken met een besteedbaar inkomen waar een klein land een
sluitende begroting kan maken, maar die volledig aan de publieke sector
onttrokken wordt waardoor er op zorg, onderwijs en sociale voorzieningen moeten
beknibbeld.
Met name de
podcast en het boek Fall of Civilizations van de historicus Paul Cooper vond ik
zeer leerzaam en interessant. Met name zijn beschrijving van de snelle
ineenstorting van Romeins Brittannië zijn boeiend.
Terwijl het
eiland ten prooi valt aan invallende Saksen en de oude steden verlaten raken,
houdt een kleine rijke elite in ommuurde leefgemeenschappen nog vast aan de
oude manier van leven en genoot van de wijn en olijfolie die tegen hoge kosten
geïmporteerd werden. Zolang ze konden negeerden ze de tekenen aan de wand maar
de ondergang was onontkoombaar.
De ruïnes
van verloren beschavingen als Angkor in Cambodja of de Maya’s zijn een
waarschuwing aan ons. Zij herinneren ons aan de dreiging van het uiteenvallen
van de maatschappelijke samenhang die gepaard gaat met toenemende ongelijkheid.
Tegelijk toont Cooper ook aan dat de ondergang van een beschaving niet
onafwendbaar is, maar ook door wijs bestuur en innovatie zich te hernieuwen.[2]
Misschien is
het aan sommigen van ons niet zo besteed om te geloven dat God de rechtvaardige
uiteindelijk in het gelijk zal stellen in de toekomst of in een hiernamaals. Te
vaak is dit gebruikt als een zoethoudertje, om de pijn van het onrecht in zicht
van ellende te verzachten.
Maar laten
we eens dat idee van de mens als een wezen dat iets van de goddelijke
eeuwigheid in zich draagt, dat ‘beeld-van-god-zijn.’ Geldt dat ook niet voor de
mensen die na ons komen? Zijn wij ook hun niet iets schuldig? Schone lucht,
schoon water, een leefbaar klimaat? Of zijn zij slechts die arme drommels, ook
al zijn ze nog niet geboren, die we een aarde nalaten die is uitgeknepen als
een citroen? Puur vanuit de waanidee dat onze kracht de rechtvaardiging is van
wat we doen en dat wat zwak is geen waarde heeft?
‘De HEER
doet de plannen van volken teniet, Hij verijdelt wat naties beramen,’ zegt de
psalmist, en: ‘Hij heeft recht en gerechtigheid lief, van de trouw van de HEER
is de aarde vervuld.’ Het lijkt een beetje op ‘stil maar, wacht maar,’ maar
misschien houdt het ook een opdracht in aan ons in plaats van te wachten op
goddelijke interventie en zelf ons in te zetten voor rechtvaardigheid en een leefbare
wereld voor iedereen, ook voor hen die na ons komen. Dan kunnen we terecht
feesten op de goede afloop zoals ook ieder album van Asterix besluit met een
groot feest waar er voor iedereen te eten en te drinken is.
Bibliografie
Cooper, P.
(2024). Fall of Civilizations. Stories of Greatness and Decline.
Richmond: Duckworth Books Ltd.
Robinson, M.
(2015). The Givenness of Things. London: Virago Press.
Uderzo, R. G.
(1970). Asterix en de Helvetiërs. Brussel: Dargaud Benelux.
