woensdag 17 juni 2026

Laat ons eten en drinken

De volgende tekst is een weergave van de overdenking die ik heb gehouden in de dienst in de Remonstrantse kerk in Den Haag op 14 juni 2026. De lezing was uit het boek Wijsheid, hoofdstuk 2 verzen 1 tot en met 11.

Als u uw klassiekers kent dan weet u wellicht waar ik de afbeelding op de liturgie vandaan gehaald heb. Op de voorkant staan twee plaatjes uit een stripalbum dat gaat over een van de vele avonturen van Asterix de Galliër en zijn onafscheidelijke metgezel Obelix, de stoere maar ook wat naïeve steenhouwer met zijn bovenmenselijke kracht en voorliefde voor everzwijnvlees.

Traditiegetrouw eindigt ieder avontuur in het dorp met een groot feestmaal om de goede afloop met elkaar te vieren. Het is een en al vrolijkheid. Er wordt gegeten, gedronken en gezongen. Behalve door de bard die vanwege zijn krassende stemgeluid gekneveld en vastgebonden wordt om de feestvreugde niet te bederven.

Op dit plaatje (uit het album Asterix en de Helvetiërs) wordt ook gefeest, maar van echte feestvreugde lijkt geen sprake. Zo zegt het opschrift: ‘De vrolijke sfeer die er in het Gallische dorp heerst, is beslist niet aanwezig in het paleis van Gaius, de omvangrijke (Romeinse) gouverneur, terwijl er toch van alles aan gedaan wordt om de mensen te amuseren.’

In de bedompte paleis doen de gasten van Gaius zich op decadente wijze te goed aan spijzen en drank maar de stemming wil er maar niet in komen. Onder het vernisje van vermaak schuilt een niet te verzadigen verveling die van  de gezichten is af te lezen.

Behalve decadent is Gaius ook corrupt. De opbrengsten van de belasting verdwijnen grotendeels in ’s mans eigen zak en slechts een klein deel wordt afgedragen aan Rome. Als zijn tolgaarder hem vraagt of dat wel zo wijs is antwoordt Gaius dat hij maar voor een jaar is aangesteld en dan zijn slag moet slaan. Tegen de tijd dat Rome er lucht van krijgt is Gaius ver van Rome en heel erg rijk zodat de rest van zijn leven een groot feest zal zijn.

Het gedeelte uit het boek Wijsheid dat we hebben gelezen lijkt in veel opzichten op het boek Prediker. Toen ik vorig jaar in november hier voorging las ik bijvoorbeeld: ‘…eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.’

De auteur van Wijsheid kopieert en plak uit Prediker maar neemt er ook afstand van. Predikers verzuchtingen: geniet van het leven, eet en drink, want dat is een godsgeschenk in het korte leven, dat ieder moment zijn glans kan verliezen door ziekte, ouderdom en dood. Waarom wachten tot het moment dat je de fut er niet meer voor hebt. Voor Prediker is het duidelijk. Wat er ná het leven komt zal niet veel soeps zijn.

Het leven is kort maar de auteur van het boek Wijsheid plaatst het in het licht van de eeuwigheid. Wat de mens doet heeft consequenties. Wijsheid moet dan ook gezien worden als een weerwoord tegen de Griekse filosofie van Epicurus waar het najagen van genot als levensvervulling wordt gezien. In de lijn van de Hebreeuwse bijbel verbindt de auteur wijsheid met rechtvaardigheid. De gedachtegang van de goddelozen zoals hij die verwoordt doet ongewoon modern aan: ‘Toevallig worden wij geboren en hierna zullen wij zijn alsof we er niet geweest zijn.’ Het lichaam vergaat tot as en de geest vervliegt als ijle lucht.

Dat er een uiterste houdbaarheidsdatum aan het leven zit moge duidelijk zijn. Maar is Prediker redelijk positief over het genieten van eten en drinken en andere leuke dingen, de schrijver van Wijsheid bespeurt hier ook een gevaar in het te ver doorvoeren van deze gedachtegang. Zijn ‘goddelozen’ worden door de zorgeloosheid van de jeugd - die grenst aan roekeloosheid en onverschilligheid - gemotiveerd om de dingen te doen die zij doen.

Niet gehinderd door enige terughoudendheid moet deze gedachtegang een excuus zijn om zich uit te leven op mensen die zwak zijn of in armoe leven. Die worden zelfs als een affront gezien, als lastig. Als hindernissen die hun vrolijke leventje bederven. Zij rechtvaardigen hun gedrag door hun beroep te doen op hun kracht. De sterke bepaalt zelf wel wat goed is en de zwakke moet hun klappen maar ondergaan.

Het lijkt of het aanpakken van de zwakke, de arme, de grijsaard een verzetje is. Al met al lijkt de pret geen echte vreugde te zijn. Het getuigt van nihilisme. Van ennui; existentiële, ondraaglijke verveling als levensstijl. Verveling die door de makers van Asterix zo scherp en met de nodige ironie verbeeldt wordt in het plaatje op de voorkant van de liturgie.

Waar bij Prediker nog sprake is van een zekere gemoedelijkheid is in de woorden van Wijsheid eerder sprake van een soort graaicultuur, een hebberigheid die een verbeelding lijkt van een drijfveer om te pakken wat je kan, koste wat kost. ‘Laten we de schepping met gretigheid benutten, zorgeloos als de jeugd.’ Ofwel: kijk niet verder dan je neus lang is.

We zijn jong, en hoewel het leven kort is hebben we nog wel wat jaartjes voor ons liggen. Wie doet ons wat? Het is niet God, die ze het goede geeft. Het is hun lot. Ze verdienen het. Het is een mentaliteit die verdacht veel lijkt op de huidige omgang met de verschillende crises, die op ons afkomen of waar we in zitten.

Met name rond het klimaat en de toenemend extreem gedachtegoed en de normalisering ervan. Met name waar fascistoïde tendensen het publieke debat, politiek en media binnendringen met hun verheerlijking van geweld en het bewieroken van autocratische leiders zouden alle alarmbellen af moeten gaan. In plaats daarvan krijgen ze een plaats aan de talkshow tafel.

In Wijsheid gaat de auteur ervanuit dat de rechtvaardige uiteindelijk zijn of haar loon krijgt, waar in Prediker dat nog maar de vraag is. We kunnen er inderdaad ons bij afvragen of dit geen smoes is, een zoethoudertje van: stil maar, wacht maar. Voor de auteur van Wijsheid is de mens een afspiegeling van Gods wezen en draagt deze iets van eeuwigheidswaarde in zich.

In een gesprek met Barack Obama zegt de schrijfster Marilynne Robinson[1] dat zij gelooft dat alle mensen beelddragers van God zijn. Het is het mens-zijn dat het respect en de liefde van God, die daarin geïmpliceerd is, afdwingt. Waar echter de ander als onguur, bedreigend of gevaarlijk wordt gezien (Robinson noemt dit de sinister other) is dit een slechte zaak in alle gevallen.

Maar wanneer dit idee van de ‘sinistere’ ander – waarin wat goed is als boosaardig wordt gezien en allerlei complottheorieën opduiken – het politieke discours binnenkomt is dat een extreem gevaarlijke ontwikkeling die knaagt aan de fundamenten van de democratie. Democratie veronderstelt immers dat men het goede voorheeft met anderen, of in ieder geval daartoe bereid is.

Een gevaarlijk ontwikkeling die daarmee gepaard lijkt te gaan is die van een steeds grotere ongelijkheid tussen rijk en arm, van een steeds rijke wordende kleine groep van superrijken met een besteedbaar inkomen waar een klein land een sluitende begroting kan maken, maar die volledig aan de publieke sector onttrokken wordt waardoor er op zorg, onderwijs en sociale voorzieningen moeten beknibbeld.

Met name de podcast en het boek Fall of Civilizations van de historicus Paul Cooper vond ik zeer leerzaam en interessant. Met name zijn beschrijving van de snelle ineenstorting van Romeins Brittannië zijn boeiend.

Terwijl het eiland ten prooi valt aan invallende Saksen en de oude steden verlaten raken, houdt een kleine rijke elite in ommuurde leefgemeenschappen nog vast aan de oude manier van leven en genoot van de wijn en olijfolie die tegen hoge kosten geïmporteerd werden. Zolang ze konden negeerden ze de tekenen aan de wand maar de ondergang was onontkoombaar.

De ruïnes van verloren beschavingen als Angkor in Cambodja of de Maya’s zijn een waarschuwing aan ons. Zij herinneren ons aan de dreiging van het uiteenvallen van de maatschappelijke samenhang die gepaard gaat met toenemende ongelijkheid. Tegelijk toont Cooper ook aan dat de ondergang van een beschaving niet onafwendbaar is, maar ook door wijs bestuur en innovatie zich te hernieuwen.[2]

Misschien is het aan sommigen van ons niet zo besteed om te geloven dat God de rechtvaardige uiteindelijk in het gelijk zal stellen in de toekomst of in een hiernamaals. Te vaak is dit gebruikt als een zoethoudertje, om de pijn van het onrecht in zicht van ellende te verzachten.

Maar laten we eens dat idee van de mens als een wezen dat iets van de goddelijke eeuwigheid in zich draagt, dat ‘beeld-van-god-zijn.’ Geldt dat ook niet voor de mensen die na ons komen? Zijn wij ook hun niet iets schuldig? Schone lucht, schoon water, een leefbaar klimaat? Of zijn zij slechts die arme drommels, ook al zijn ze nog niet geboren, die we een aarde nalaten die is uitgeknepen als een citroen? Puur vanuit de waanidee dat onze kracht de rechtvaardiging is van wat we doen en dat wat zwak is geen waarde heeft?

‘De HEER doet de plannen van volken teniet, Hij verijdelt wat naties beramen,’ zegt de psalmist, en: ‘Hij heeft recht en gerechtigheid lief, van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.’ Het lijkt een beetje op ‘stil maar, wacht maar,’ maar misschien houdt het ook een opdracht in aan ons in plaats van te wachten op goddelijke interventie en zelf ons in te zetten voor rechtvaardigheid en een leefbare wereld voor iedereen, ook voor hen die na ons komen. Dan kunnen we terecht feesten op de goede afloop zoals ook ieder album van Asterix besluit met een groot feest waar er voor iedereen te eten en te drinken is.

Bibliografie

Cooper, P. (2024). Fall of Civilizations. Stories of Greatness and Decline. Richmond: Duckworth Books Ltd.

Robinson, M. (2015). The Givenness of Things. London: Virago Press.

Uderzo, R. G. (1970). Asterix en de Helvetiërs. Brussel: Dargaud Benelux.



[1] (Robinson, 2015)

[2] (Cooper, 2024)

woensdag 12 november 2025

Kos

 

Bij het doorspitten van de doos met foto's kwam ik een reeks kiekjes tegen van mijn eerste vliegvakantie. Het was 1989 en de eerste keer dat ik naar Griekenland met vakantie ging. Op de foto hierboven sta ik op het balkon van de kamer van Hotel Kos, dat net buiten het centrum van de stad gelegen was en op loopafstand van de zee. Niet dat het strand daar veel voorstelde. Dit was voornamelijk een strook kiezels, hier en daar onderbroken door een lap beton die dienst deed als golfbreker. Die golfbrekers waren vooral geliefd bij zonaanbidders die daar de handdoek op uitspreidden om ongestoord te bakken.

Dat laatste was niet per se aan te bevelen aangezien wat verderop de vaarroute lag waar veel passagiersschepen en ferry's op weg naar de haven gebruik van maakten. Was er over het algemeen geen golfslag van betekenis, dan veranderde dat snel als er weer zo'n schuit net voorbij was gevaren. Zo ook die keer toen ik zag hoe een nietsvermoedende dame in bikini een flinke boeggolf over zich heen kreeg en haar spulletjes in zee zag verdwijnen.

Ik had voor mijn eerste vliegvakantie gekozen voor een christelijke jongerenreis. Het gezelschap bestond uit een kleine 20 personen. Reisleider Jan - een bekende van mij - zorgde elke avond voor een stichtelijk woord. Het hotel was voorzien van een zwembad met bar. Het verzoek was: na het toiletbezoek het wc-papier niet doorspoelen, maar in de daarvoor bestemde emmer deponeren. Samen met nog een jongen (Erwin of Edwin?) deelden Jan en ik een driepersoonskamer. De luxe spatte er niet vanaf maar het was netjes, hoewel Erwin (Edwin?) een keer een flinke kakkerlak had gevonden en zijn prooi onder Jans kussen had verstopt. Jan had die nacht niets van het insect gemerkt.

Erwin (Edwin?) bleek een kunstbeen te hebben. Dat had hij wel verteld maar het was toch een bijzondere ervaring om dit been, met de broek eromheen, rechtop naast zijn bed te zien staan. De warmte bracht voor hem nog een ander ongemak mee. Om zijn kunstbeen goed te bevestigen had hij een soort passtuk. Dat ging om de stomp voordat het kunstbeen zelf werd 'aangetrokken.' Helaas ging door de hitte de stomp zweten waardoor Erwin (Edwin?) onder het lopen scheetgeluiden maakte. Gelukkig had hij ook een stel krukken meegenomen waarmee hij zich soepel kon voortbewegen. Een kennis van hem had deze voorzien van twee brede kunststof schijven zodat de krukken bij een bezoek aan het strand niet in meteen in het zand zouden verdwijnen. Bij het eten 's avonds ging het aan, maar bij uitstapjes bleef het kunstbeen achter in de hotelkamer.

De hotelkamer met in de hoek rechts het kunstbeen met broek

Zo ook die keer dat we een bootje hadden gehuurd bij ene meneer Yannis voor een vaartochtje naar het sponzeneiland Kalymnos en naar een afgelegen strandje om te gaan snorkelen. Na op Kalymnos ons vergaapt te hebben aan de vele natuursponzen, loufahs en andere souvenirs die te koop werden aangeboden zouden we weer scheep gaan. Helaas schatte Erwin de afstand tussen de kade en de boot niet goed in waardoor hij letterlijk tussen wal en schip terecht kwam. Hij kon zich ternauwernood aan de reling vasthouden. Toen het bootje even later de haven verliet maakt het plots rechtsomkeert omdat  Erwins portefeuille nog op de bodem van de haven bleek te liggen. Al gauw had een behendige sponzenvisser de portefeuille tussen de zee-egels gevonden en aan de rechtmatige eigenaar terug gegeven.

Dit was overigens niet het enige akkefietje van de vakantie. Voor een ritje over het eiland hadden we twee jeeps gehuurd. Ik zou een van de vehikels besturen. Omdat ik geen ervaring had met autorijden in Griekenland deed ik het voorzichtig aan, maar de bestuurder van de andere jeep, een blond alfamannetje, gaf vol gas en verdween al snel in de verte. Maar even later passeerden we dezelfde jeep, half in greppel liggend die de rotswand van de weg scheidde, met de passagiers hevig geschrokken en wat bleekjes ernaast.

Alfamannetje bleek achteraf te snel op een haarspeldbocht af gereden te zijn. De keuze was: óf met z'n allen de afgrond in óf tegen de rots. In 'a split second' koos Alfamantje voor het laatste waardoor hij er slechts met een gebroken arm vanaf kwam - en de rest van de vakantie niet mocht zwemmen - en de anderen met de schrik. Het had dus veel slechter af kunnen lopen. We zetten de Jeep weer rechtop en deze bleek gelukkig weinig schade te hebben en nog te kunnen rijden.

Op het Asklepion
Nu had een van de betrokken dames later die dag in paniek haar moeder gebeld die vervolgens de reisorganisatie had gebeld met het verhaal dat iedereen zwaargewond in het ziekenhuis lag. Ik was nog even op de hotelkamer toen de telefoon ging. Ik nam op. 'Met Jan, mag ik Jan spreken? Wat is er allemaal aan de hand?' klonk de verontruste stem van de directeur van de reisorganisatie. 'Die is niet op de kamer,' zei ik. Daarop deed ik verslag van wat er was gebeurd en verzekerde hem dat we zeker niet zwaargewond in het ziekenhuis lagen.

Omdat het eiland Patmos - bekend van de Openbaring (Apocalyps) van Johannes - relatief dichtbij was deden we ook dit aan door er met de draagvleugelboot naartoe te varen. Reisleider Jan bleek weinig met Grieks-orthodoxe religieuze kunst te hebben en vond het allemaal maar poppenkast. Vóór het bezoek aan de grot waar Johannes zijn visioenen zou hebben gehad, drukte onze gids ons op het hart met gepaste eerbied en bedekkende kleren het heiligdom te betreden om vervolgens binnen door de dienstdoende priester op haar ongepaste 'pantelóni' gewezen te worden. De volgende keer zou ze toch iets anders dan een legging moeten dragen.

Bij de draagvleugelboot 
De rest van de vakantie gebeurde er weinig opmerkelijks. Het bleef allemaal heel braaf. We genoten van zon en zee, maakten uitstapjes naar oudheden als het Asklepion, bekeken de Romeinse ruïnes en het kruisvaarderskasteel aan de haven, kochten ansichten, huurden fietsen en gingen zwemmen en zonnebaden bij Paradise Beach - waar in het restaurant de toiletten verstopt waren en een uur in de wind stonken - en bezochten schilderachtige stadjes als Kefalos. De Griekse keuken lieten we ons goed smaken. Zo leerde ik die weken ook om de smaak van olijven te waarderen. Uiteindelijk keerde ons gezelschap met volgeschoten fotorolletjes en hoofden vol indrukken na twee weken Kos weer terug in Nederland.
Bij Paradise Beach



zondag 9 november 2025

Geniet ervan!

Zondag 9 november mocht ik weer voorgaan bij de Remonstranten in Den Haag. Voor die gelegenheid had ik onder andere een tekst uit het boek Prediker (hoofdstuk 9 vers 7 tot en met 12) gekozen, bekend van het 'IJdelheid der ijdelheden.' In deze perikoop is  te lezen: 'Geniet op alle dagen van je leven.' Alles mag dan ijdelheid zijn, er zijn ook momenten om te genieten. De tekst hieronder is een iets ingekorte versie van mijn overdenking.

Ik moet bij het lezen van het bijbelboek Prediker vaak denken aan iets dat zich voordeed tijdens mijn opleiding. Voor het vak Wijsheidsliteratuur bleek het nog even duurde voordat het lesboek bij Prediker beschikbaar zou zijn. Noodgedwongen zou dus Hooglied vóór Prediker worden behandeld. Heel jammer, zei de docent. Gaan we eerst de lofzang op de liefde bestuderen om daarna in mineur te eindigen omdat alles ijdelheid blijkt te zijn.

De zachte wind van de melancholie waait je inderdaad tegemoet als je de verzuchtingen van Prediker leest. Alles is lucht en leegte. Om moe van te worden. Prediker – in het Hebreeuws Kohelet (verzamelaar, bijeenroeper) – lijkt geen lachebekje. Wie er achter deze naam ook schuilgaat is ook niet bekend. Hij zegt dat hij koning is te Jeruzalem. Dan valt al snel de naam Salomo, als archetype van de wijze vorst.

Maar vermoedelijk moeten we de schrijver of schrijvers ergens traceren in de Hellenistische tijd, de periode voorafgaand aan het Nieuwe Testament, waarin de invloed van de Griekse cultuur dominant is. Door zijn geschrift toe te schrijven aan Salomo lijkt dit garant te staan voor oude wortels en dus beproefde diepzinnigheid. Van nieuwlichterij en originaliteit moest men niet veel weten.

Prediker denkt diep na over de zaken. Hij lijkt een lang leven erop te hebben zitten. Niets dat hem nog verrast. Komt iemand met iets nieuws aanzetten dan heeft hij het allemaal al een keer gezien. Er is niets nieuws onder de zon. Het is een en al herhaling ad nauseam. Nu moeten we echter niet denken dat Prediker alleen maar een treurzang is en de schrijver een somberman. Zijn betoog lijkt vooral een reactie op bepaalde ideeën in het jodendom van zijn tijd. Met name het idee van ‘wie goed doet, goed ontmoet’ moet het ontgelden.

Prediker schetst niet zozeer de  metafysische vluchtigheid van het menselijk bestaan, maar de onberekenbare hoedanigheid van het leven waarin het kwaad dus vaak niet vergolden wordt en het goede niet zondermeer het goede voortbrengt. Het lijkt een beetje op het Boeddhistische concept van dukha.

Dit wordt vaak vertaald met ‘lijden’ maar het lijkt meer op de vaststelling dat het leven fundamenteel onbevredigend, frustrerend is. Als zand dat in de raderen van een geoliede machine wordt gestrooid. Het is echter niet pessimistisch bedoelt maar een realistische erkenning dat uitdagingen en moeilijkheden deel zijn van het menselijk bestaan.

Prediker lijkt geen boeddhistisch olifantenpaadje naar het Nirwana te bieden. Hij ziet wel dat in alle moeite het leven ook zijn korte momenten van vreugde kent waarvan genoten mag worden. Geen wereldverzaking en ascetisme maar omarmen wat is. Carpe diem. Het leven gaat in een zucht voorbij, dus laat het leven goed zijn.

Ondanks dat alles vluchtig is en het leven soms absurd (het woord in het Hebreeuws dat hier wordt gebruikt is ‘hevel’, letterlijk: een briesje wind) mag het leven nog steeds worden ervaren als zinvol. Het krijgt zin door het beamen van het leven zélf. Hoe? Door te eten en te drinken in goed gezelschap en te genieten van de man of vrouw met wie je je leven deelt. (Alhoewel hij ook een keer sneert dat hij nog nooit een wijze vrouw is tegengekomen.)

Het advies is deze goede zaken niet te negeren, maar zulke momenten te omarmen wanneer die zich aandienen. Immers, de tijd dat je er niet meer toe in staat bent komt vlugger dan je denkt. Het omarmen van de kwetsbaarheid, onzekerheden en spanningen in het leven brengt de mogelijkheid van echte vreugde met zich mee. Juist omdat het leven een uiterste houdbaarheidsdatum heeft.

We kunnen natuurlijk het hoofd laten hangen en wachten tot ons slotakkoord heeft geklonken. Dat is niet de boodschap van Prediker. Het is juist het besef van de eigen sterfelijkheid dat we niet zomaar opgeven maar intenser gaan leven. In een van haar laatste interviews zegt de onlangs overleden Britse actrice Patricia Routlede (bekend van haar rol als Hyacinth Bucket in Keeping Up Appearances) dat ouder worden niet het slotstuk is.

“Het kan het meest prachtige hoofdstuk zijn—als je jezelf toestaat weer te bloeien. Laat de komende jaren je schatjaren zijn. Je hoeft niet beroemd te zijn. Je hoeft niet perfect te zijn. Je hoeft alleen maar volledig aanwezig te zijn—voor het leven dat nog steeds van jou is.”

Prediker houdt zich niet bezig met speculaties over wat er na de dood komt. Voor Prediker is alles uit stof ontstaan en zal alles uiteindelijk weer tot stof terugkeren. Einde verhaal. Levend-zijn geniet de voorkeur. Daarmee schetst prediker een vrij conservatief joods beeld dat ingaat tegen andere, latere, ideeën binnen het jodendom, zoals die in apocalyptische boeken als Daniël worden vertolkt.

Daarin spelen ook de vragen als: hoe komt het dat de rechtvaardigen zo unfair worden behandeld en goede daden niet beloond? Het antwoord van de apocalyptiek is dat de uiteindelijke beloning en bestraffing geprojecteerd zijn naar een verre toekomst of het hiernamaals. Even doorbijten dus nog. Uiteindelijk komt boontje om zijn loontje en krijgt de rechtvaardige zijn gelijk.

Volgens de Belgische psychiater Manu Keirse bagatelliseren we de dood en devalueren we het leven door te speculeren over een hiernamaals, het idee dat er hierna iets beters komt. Of het nu zingende engelenkoren zijn, eeuwige picknicks, rijstepap eten van gouden bordjes of 72 maagden die je op je wenken bedienen. Veel van deze voorstellingen zijn voor mij ook helemaal niet aantrekkelijk.

Je kunt je zo voorstellen dat zelfs in je ideale paradijs na een paar duizend jaar de verveling toeslaat. Tenzij je een soort vergeetachtigheid inbouwt waardoor alles als nieuw blijft. Keirse citeert kardinaal Jozef de Kesel die deze hemelfantasieën als een excuus voor zelfmoordterroristen ziet om zichzelf op te blazen. Liever ziet Keirse dat we onze aandacht verleggen van een hiernámaals naar het hiernúmaals.

Maar dat het met de dood allemaal ophoudt is voor velen dus, om meerdere redenen, onverteerbaar. Dat is ook wel begrijpelijk. De dood is de ongewenste bezoeker die eenmaal aan onze deur zal staan en dan zegt: je mag mee. We doen er van alles aan om de dood op aftand te houden. Met enig succes, want inmiddels is de gemiddelde leeftijd decennia hoger dan in de tijd van Prediker toen het leven van de gemiddelde mens nog beroerd, wreed en kort was.

Binnen de stroming van het transhumanisme leeft zelfs de idee dat de mens door genetische manipulatie en vergaande integratie van computertechnologie in het menselijk lichaam, ouderdom en ziekte op afstand kan houden. Zo zou het mogelijk moeten zijn de onze leeftijd verder op te rekken tot 150 jaar of meer. Daar zit uiteraard een kostenplaatje aan vast. Techmiljardairs als Peter Thiel (oprichter van PayPal) en Elon Musk koketteren openlijk met deze ideeën en pompen veel geld in onderzoek ernaar.

Thiel en Musk zijn trouwens ook een groot fan van Tolkiens In de ban van de Ring. Wat ze echter niet lijken te begrijpen is dat de Ring-trilogie vooral gaat over de noodzakelijkheid van de dood en de corrumperende invloed van macht. Tolkien laat in de trilogie zien dat het juist de mensen zijn die in hun streven naar onbeperkte macht en eeuwig leven daar gevoelig voor zijn.

Het zijn niet de stoere ridders, heldhaftige krijgers en machtige tovenaars die de helden zijn, maar de kleine, weinig ambitieuze Hobbits. Zij willen in alle rust hun tuintje aanharken en hun pijpje roken bij de haard en blijken daardoor veel minder gevoelig voor de verlokkingen van eeuwig leven en macht. Ironisch genoeg wordt in In de ban van de Ring de dood zelfs het geschenk van de mens genoemd. Iets wat Thiel en Musk, geobsedeerd als zij zijn door macht, blijkbaar gemist hebben.

In de mythe van Gilgamesj lezen we ook dat onsterfelijkheid niet tot de menselijke conditie hoort. Zodra de held het kruid dat onsterfelijk maakt in handen heeft wordt dit in een onbewaakt ogenblik hem afhandig gemaakt. Er schuilt zelfs gevaar in onsterfelijkheid. Een wereld met onsterfelijken stagneert. Het is de eindigheid van het leven dat het de moeite waard maakt. De eindigheid van het leven opent zowel een sfeer van noodzaak als van vrijheid.

Het staan in deze vrijheid is waardevol in zichzelf en voor zichzelf. De opdracht is dus: sta in de vrijheid. Het besef van het einde verbindt je met waar het in het leven om gaat. Als je bent doordrongen van de eindigheid van het bestaan weet je dat je die moet aangrijpen om mens te zijn. Daarbinnen is ruimte voor zelfbeschikking en ontplooiing. Deze zijn niet los te zien van de verbinding met anderen.

Vrijheid is geen vrijbrief om maar te doen wat je wil, maar wordt beperkt door anderen. Onze vrijheid is onlosmakelijk verboden met onze waardigheid en onze zorg voor elkaar. Ons idee van een zelf is niet iets dat in een vacuüm, in een aparte wereld, zelfstandig kan bestaan.

Ons zelf is iets wat ingebed is in een web van relaties. Dat geldt niet alleen voor ons mensen onderling, maar voor de natuur en de wereld als geheel. We zijn er niet los van te zien. Autonomie is geen autarkie in de zin van zelfvoorzienend-zijn. Om te floreren hebben we elkaar nodig.

Prediker adviseert zijn lezers te genieten van zaken als eten en drinken, maar stelt ook grenzen aan het genot. Het is dus niet van: lang leve de lol! Een wijze beteugelt zichzelf door op gepaste tijden naar een feest te gaan en drinkt zich geen stuk in de kraag. Met het 'Heb je naaste lief als jezelf' trek je een grens om je eigen vrijheid zodat deze geen vrijbrief wordt om de ander te belemmeren in het uitoefenen van haar of zijn vrijheid. Maar kijk ook naar elkaar om zonder elkaar de maat te meten.

Het leven mag gevierd worden. Genieten kan en mag, ook van de kleine dingen. Dat vraagt ook een manier van kijken die openheid en aandacht vereisen. Geniet van eten en drinken, van de wind in je haar en het zonlicht op je gezicht. ‘Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien’ zegt Prediker immers. Maar smeer je wel in, zouden we nu eraan toevoegen.

Leef het leven. Geniet van de sterrenhemel. Van het wisselen van de seizoenen. Lees goede boeken en bezoek theater en bioscoop. Geniet waar en wanneer mogelijk. Ontzeg je de mooie dingen niet waarvan je later moet zeggen: had ik het maar gedaan. Mocht dat toch zo zijn, wees dan ook mild voor jezelf en blijf niet hangen in verwijt en probeer de fouten te herstellen. Wie kan immers terugkijkend zeggen hoe het anders was gegaan?

Bij de voorbereiding heb ik als bronnen o.a. gebruikt:

Hägglund, M. (2019) This Life. Why Mortality Makes Us Free. London: Profile Books Ltd.

Keirse, M. (2023) Anders leven. Pleidooi voor een humanere en meer verbonden samenleving. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv.

Linden, N ter. (2016) En dan nog dit. Wandelen met God. Amsterdam: Nico ter Linden/Uitgevrij Balans.


vrijdag 31 oktober 2025

Goed gestemd?

Woensdag 29 oktober heb ik de hele dag op het stembureau mogen vertoeven. Als lid, zoals dat heet. Als ik de berichten op tv en het internet mag geloven is het vinden van vrijwilligers hiervoor geen kleinigheid, alhoewel dat in Rijswijk niet het geval bleek. Via Facebook meldde iemand mij dat diens echtgenote niet in de prijzen was gevallen wegens juist een teveel aan enthousiastelingen.

Om plaats te kunnen nemen in een stembureau moet je, kun je, je aanmelden. Vervolgens krijg je na aanmelding, als het goed gaat, per mail middels een benoemingsbesluit te horen of je benoemd bent tot lid en bij welk stembureau je bent ingedeeld. Ook krijg je nog een korte online cursus vooraf.
Ik was dus de hele dag ingedeeld, wat betekende dat ik om 7 uur acte de présence moest geven, in dit geval in de kantine van een plaatselijke sportclub. Uiteraard stonden de stemhokjes en stembussen al in gelid opgesteld en was er een ruime voorraad stembiljetten en rode potloden aanwezig.
Al voor het stembureau openging had een klein gezelschap zich bij de ingang verzameld. Om half 8 kon deze meteen zich bij de tafels melden met stempas en identiteitsbewijs in de aanslag. Ook de leden zelf konden nog gauw hun stem uitbrengen. Hoewel er geen dikke rijen voor de deur stonden was de toestroom de hele dag gestaag. De momenten dat het stemlokaal leeg was waren schaars. Stapte er dan toch iemand binnen dan was de reactie vaak: 'Lekker rustig hier.' We konden deze persoon dan meldden dat de stemmers weliswaar niet met busladingen tegelijk kwamen, maar dat er toch net een fors aantal de stem had uitgebracht.
Na het controleren van de stempas en het ID kregen de stemmers hun stembiljet mee en mochten ze daarmee naar een van de stemhokjes om met het klaarliggende rode potlood de partij en politicus van hun keuze aan te kruisen. Sommigen hadden kinderen meegenomen, waarvan enkelen voor de gelegenheid uitgedost in Halloweenkostuum. De kleinsten werd even uitgelegd dat een stembiljet geen kleurplaat is. Vanwege de omvang van de stembiljetten werden deze vaak tafellaken, landkaart of iets dergelijks genoemd. In de hokjes werd vaak verzucht: kan het niet kleiner? Was het open vouwen al een dingetje, het opvouwen bleek helemaal lastig, zo bleek uit het vele geritsel.
Het werd een lange zit. Om 9 uur 's avonds verliet de laatste kiezer het stembureau en kon de telling beginnen met het omkeren van de stembussen. Extra hulptroepen waren ingeroepen om te helpen met tellen. De biljetten werden open gevouwen en op volgorde van de kandidatenlijst in de ruimte opgestapeld.

Daarna werd elke stapel geteld en nog een keer geteld, gebundeld en weer opgeborgen in de stembus. Ik kreeg dan ook een aardig beeld van wat de landelijke uitkomst zou kunnen zijn. Niet dat het resultaat van één stembureau representatief is (ik kan me voorstellen dat de uitkomst in Urk niet echt een graadmeter is) maar bepaalde trends tekenen zich wel af. Om 5 over middernacht was het klaar. Een hele lange dag zat erop. Met door het papierstof van de stembiljetten lichtelijk geïrriteerde luchtwegen fietste ik door de regenachtige nacht weer naar huis, benieuwd naar wat er uiteindelijk uit de bus zou komen: linksom of toch weer rechtsom.

Inmiddels zijn de meeste stemmen geteld is de winnaar bekend: het D66 van Rob Jetten. De exitpolls wezen al in die richting maar al snel bleek dat de PVV van Wilders aan het inhalen was en even leek deze D66 voorbij te streven. Ben ik blij met deze uitslag? Mijn eigen partij, GroenLinks-PvdA ,moest flink inleveren. Helaas. Timmermans trok hieruit zijn conclusies en stapte terug als partijleider. Bij de vorige landelijke verkiezingen ging de PVV er met de hoofdprijs vandoor. Het leverde mij een katerig gevoel op en wat volgde was een klungelkabinet waar Wilders vervolgens de stekker uittrok, waarschijnlijk in de hoop deze verkiezingen er het maximale uit te halen om premier te worden. Hij heeft gegokt en verloren. Jettens succes is, net als overigens dat van Wilders in 2023, ook in de internationale pers breed uitgemeten. Niet in de laatste plaats omdat hij openlijk gay is en ook nog eens de jongste premier ooit van Nederland wordt.

Ik wil niet meteen dit stukje eindigen in mineur. Jetten heeft door zijn positieve uitstraling een hoge gunfactor. De PVV mag dan flink hebben ingeleverd, maar de radicale en extreemrechtse kiezers hebben Ja21 en het fascistoïde FvD ook weer een flink aantal zetels toegeschoven. Getalsmatig is deze uiterst rechtse flank dus nog steeds flink vertegenwoordigd. En ondanks alle geroeptoeter over de dreiging van extreemlinks en karaktermoord op iemand als Frans Timmersmans lijkt het linkse geluid gemarginaliseerd.

'Het kan wél' was de leus van D66 deze campagne. Een catchy slogan die zo van Obama's 'Yes we can!' overgenomen lijkt. De overwinning van D66 toont aan dat een progressief-liberale middenpartij er toch met het eremetaal vandoor kan gaan. Gelukkig maar. Toch zal het nog een flinke puzzel worden om een kabinet te formeren, linksom of rechtsom. Maar wie weet kan dít ook. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat veel mensen snakken naar een stukje rust en stabiliteit van de regering om de grote problemen aan te pakken en geen rariteitenkabinet.

dinsdag 28 oktober 2025

Kosmische komedie. Een terugblik op zondag 26 oktober


















Zondag 26 oktober mocht ik weer voorgaan in de dienst van de Remonstranten in Den Haag. Een dienst vraagt altijd een gedegen voorbereiding. Overdenkingen schud ik dan ook niet zomaar uit mijn mouw. De vraag is om te beginnen vaak: waar ga ik het over hebben? Een bijbeltekst kan het startpunt zijn om die vraag te beantwoorden. Nu heb je een scala aan verhalen, spreuken, liederen, legenden, rituele voorschriften, parabels en andere teksten waar je uit kunt putten.

Om te voorkomen dat de bekende verhalen voortdurend worden opgediend en uitgelegd bestaat er zoiets als een oecumenisch leesrooster. Doorheen het hele jaar is voor elke zon- en hoogtijdag een selectie aan teksten gemaakt zodat deze de spreker-predikant wat handvatten biedt, mocht deze er zelf niet uitkomen. Of om te voorkomen dat de barmhartige Samaritaan weer op moet draven.

Nu is het terugvallen op een bekend geacht verhaal niet altijd te voorkomen. Bijvoorbeeld omdat de kerkgangers met Kerst het verhaal van Maria, Jozef en het kindeke Jezus verwachten. Maar niet elke tekst ligt lekker in het gehoor of past bij wat de voorganger zijn gehoor wil meegeven. Veel teksten in de bijbel, zoals Anna-Claar Thomassen-Rosingh in Re-imagining the Bible for Today zegt: niet alle teksten zijn even moreel, mooi of historisch interessant.

Sommige zijn zelfs verbijsterend, gewelddadig en soms regelrecht aanstootgevend. Veel teksten zijn niet geschikt voor jonge lezers en mensen met een zwakke maag. Je doet er beter aan ze links te laten liggen. Voor wie de bijbel het onfeilbare en geïnspireerde woord Gods is betekent het vaak dat je je in vele intellectuele bochten moet wringen om recht te praten wat krom is. Het is oké om het niet eens te zijn met wat je leest.

Kiest de spreker ervoor een tekst aan het bedachte thema te koppelen of het thema uit de voorgeschotelde tekst te halen? Natuurlijk staat het vrij om af te wijken van het leesrooster en inspringend op de actualiteit een of meerdere teksten te lezen die het goed doen als kapstok om het betoog aan op te hangen. Overigens is het binnen de meer vrijzinnige kerken vaak ook geen punt om ook een tekst te lezen uit andere literaire werken, religieus of anderszins.

Is de tekst eenmaal gekozen, dan is goed om even te kijken naar dóór wie en vóór wie deze is geschreven, welk genre het is en wat anderen erover te zeggen hebben. Kennis van de grondtaal schept ook meer duidelijkheid aangezien bij de vertaling ook veel niet gezegd wordt. Of juist van alles van de vertaler(s) door hun keuze voor juist déze vertaling.[1] Achtergrond van lezer en publiek zijn sowieso van invloed op de keuzes.

Voor deze zondag had ik gekozen voor twee teksten: een uit het Oude Testament (1 Koningen 22) en een uit het Nieuwe Testament (Efeziërs 6). De eerste gaat over de koningen Josafat van Juda en Achab van Israël. De laatste vraagt de eerste om militaire steun om een stad te heroveren die bezet is door het naburige Aram (Syrië). De tweede gaat over wat ‘de wapenuitrusting van God’ wordt genoemd.

Tot mijn verassing zag ik op Facebook een post waarin voor de dienst van 19 oktober de dienstdoende predikant óók deze tekst had uitgekozen. En dat terwijl de opzet van mijn liturgie al verstuurd was. Toch heb ik maar even gevraagd wat te doen. Alles omgooien? Preek in de prullenbak? “Ik zou niet alles veranderen als ik jou was,” was het antwoord. “Niemand vindt het erg als een bepaalde bijbeltekst van een andere invalshoek benaderd wordt. Dat kan het juist ook interessant maken.” Voor de zekerheid heb ik, voor ik alles ging uitschrijven, toch zijn preek van maar even beluisterd.

Op de preekstoel (bij een andere gelegenheid) 
Zondag toog ik dus naar het kerkgebouw aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag. Het onstuimige weer zou voor veel mensen wel eens een te grote hindernis kunnen zijn om fysiek de dienst bij te wonen. Ook het ontvangstcomité vreesde dat er slechts een klein gezelschap zou zijn, maar dat viel uiteindelijk mee en de zaal was, zij het op het laatste moment, nog aardig vol gelopen. Inmiddels zorgde de organist voor al voor de juiste muzikale omlijsting. Stipt om half 11 liep ik onder klokgelui met het dienstdoende kerkenraadslid door de kerkzaal naar voren waar ik op de eerste rij geplaceerd werd. Na het welkomstwoord en het zingen van het openingslied mocht ik mij naar het spreekgestoelte begeven.

Als thema had ik Een kosmische komedie gekozen omdat in beide teksten sprake is van een wereldbeeld of kosmologie waarin achter het decor van deze zichtbare wereld een geestelijke wereld schuilgaat waarvandaan het wereldgebeuren beïnvloed wordt. Deze wereld had een soort gelaagdheid waarin geesten als in een soort kosmische volière af en aanvlogen. Ook de planeten (in het geval van de brief aan de Efeziërs) oefenden - een niet altijd positieve - invloed uit. Deze kosmos in laagjes mag velen van ons wat vreemd aandoen maar helemaal verdwenen is die niet. Denk maar aan het nog steeds aanwezige geloof in astrologie.

Een kosmische komedie
In het verhaal van Achab en Josafat  zien we de twee koningen in staatsiegewaad op provisorisch opgestelde tronen plaatsnemen. Nu was het gebruikelijk dat er voor men ten strijde trok ook nog even raad werd gevraagd aan de goden. 400 van Gods profeten worden opgetrommeld. Op de vraag: optrekken of niet? is het unanieme antwoord: doen! God geeft je de stad op een presenteerblaadje. Eén heeft zich zelfs uitgedost met horens van ijzer. De koningen zouden als stieren inbeuken op de vijand en zo de Arameeërs terug in hun hok jagen.

De vrome Josafat vindt zoveel unanimiteit verdacht en vraagt zich af of er misschien nóg een profeet is. Die is er, Micha, maar Achab heeft een hekel aan hem want hij verkondigt alleen maar onheil. Micha wordt vooraf gebrieft over wat de 400 collega’s hebben gezegd. “Zeg alsjeblief ook iets gunstigs!” is het dringende advies. “Trek op en u zult voorspoedig zijn. De Heer zal het in uw macht geven!” zegt Micha niet zonder sarcasme. Zijn reputatie als onheilsprofeet kennende bijt de koning Micha toe de waarheid te vertellen.

Dan vertelt Micha van een wonderlijke hemelse vergadering van de Heer en zijn legers. God wil Achabs ondergang maar hij heeft iemand nodig die hem kan overhalen op te trekken naar Ramoth. Uiteindelijk treedt een geest naar voren die Gods profeten leugens in de mond zal leggen. En God? Die vindt het een uitstekend idee. Eigenaardig, denk ik dan. Een geest die erop uitgestuurd wordt om God een excuus te geven om Achab in de val te lokken! God die zijn hand niet omdraait voor een stukje list en bedrog om zijn doel te bereiken? Hm… (Lees dit verhaal eens in de kostelijke hervertelling van Guus Kuijers Bijbel voor ongelovigen.)

Onwillekeurig moest ik bij die mooi pratende profeten denken aan de foto van Donald Trump die met gevouwen handen achter zijn bureau gezeten de zegen van God over zich laat afroepen door de om hem heen verzamelde predikanten en evangelisten[2]. Autocraten als Trump, Putin en Bolsonaro omringen zich graag met jaknikkers en hielenlikkers. Mooipraters die hen bewieroken, prijzen voor elke scheet die ze laten. Uit overtuiging, opportunisme, lijfsbehoud of een combinatie ervan. De goedkeuring van God is mooi meegenomen.

Het contrast met de dappere bisschop van Washington, Mariann Edgar Budde, kon niet groter zijn. Budde confronteerde Trump door begin dit jaar tijdens de gebedsdienst na zijn inauguratie in haar slotpleidooi aan te dringen op barmhartigheid. Is het immers niet de taak van mensen met écht moreel gezag om machthebbers niet van een goddelijk mandaat te voorzien maar kritisch te zijn en tegengas te bieden? De kersverse president vond het maar een waardeloze preek.

Mariann Edgar Budde

Een autocraat heeft een ontstellend gebrek aan relativeringsvermogen en humor, blijkt maar weer. Als er al sprake is van humor is dat in de vorm van bijtende spot, leedvermaak en pesterijen. Ironie ontgaat hem, satire is een persoonlijke aanval. Kritische stemmen moeten monddood worden gemaakt. Je moet wel voor hem klappen, anders krijg je klappen. Dit soort machtshebbers zijn niet meer dan bandieten en gangsters.

De opkomst van politici als Trump en de toenemende invloed van complottheorieën en desinformatie gaan gelijk op. Hoewel men graag prat gaat op het eigen kritische denkvermogen (bedenk maar hoevelen er bijvoorbeeld niet roepen dat ze “zelf ‘onderzoek’ hebben gedaan naar vaccins”) is daar veel op af te dingen. Zo blijkt dat binnen het kamp van nieuwe spirituelen, yoga- en wellnessmoeders en antivaxers velen zijn die hun oor laten hangen bij extreem-rechts.[3]

Werkelijk kritisch denken is een kwestie van oefening, cultivering, educatie en training. Jarenlange blootstelling aan hersenloos entertainment en nieuwsgaring via sociale media hebben dat denkvermogen afgestompt en velen tot louter consumenten gemaakt van soundbites, frames en frases zonder context. Het zijn holle vaten waar naar believen alles in gegoten kan worden zonder dat er sprake is van een filter of reflectie.

Ik mag dan ook graag de astronoom Carl Sagan citeren die in de jaren 90 al zei: “Als we zelf niet kunnen nadenken en onwillig zijn om autoriteiten te bevragen zijn we slechts boetseerklei in de handen van machthebbers. Als we te lang bedot zijn, zijn we geneigd al het bewijs daarvoor te negeren en zijn we niet langer geïnteresseerd in het vinden van de waarheid. Het bedrog heeft ons in zijn greep en het is te pijnlijk om te erkennen dat we in de maling genomen zijn.”[4]

Carl Sagan

Zoiets gaat niet op stel en sprong, maar sluipenderwijs. We worden eerst gepaaid en gekieteld, verdoofd en bedreigd, verdeeld en verbonden door een meester-poppenspeler, die tegelijkertijd beul en minnaar is.[5] Maar als je een charlatan eenmaal macht over je hebt gegeven krijgt je het zelden weer terug. (Houd deze gedachte vast als je naar het stemlokaal gaat.) Hoewel Sagan vreemd zou kijken als je hem een profeet zou noemen heeft hij voor zijn overlijden al gezien hoe religieus extremisme Amerika in zijn greep zou krijgen door het ondermijnen van wetenschap en de afbraak van het onderwijs.

Na afloop van de dienst was het tijd voor koffiedrinken in de Tuinzaal maar daarvóór werden nog even handen geschud bij de deur. Aan de reactie van de mensen is vaak wel te merken hoe de overdenking geland is. Wordt met beide handen mijn hand gepakt dan zit meestal wel goed. “U heeft ons veel gegeven om over na te denken,” of: “Mooie overdenking” zijn zomaar wat reacties die ik mocht ontvangen. Feedback is sowieso goed. Ook kritische. Ik kan er veel van leren. Onder het koffiedrinken hoorde ik iemand – niet tegen mij – nog zeggen: “Ik hou niet zo van die politiek getinte preken.” Een andere kerkganger drukte mij op het hart niet al te uitgesproken te zijn “want je nooit wie er meeluistert.” Na wat leuke gesprekken was het weer tijd om naar huis te gaan.



[1] In de Willibrordvertaling van 1975 wordt het in de katholieke kerk gebruikelijke woord ‘doopsel’ in plaats van ‘doop’ gebruikt.

[2] De profeet die in het bijbelverhaal ronddanste met ijzeren horens op zijn hoofd deed mij weer denken aan de zogenaamde QAnon-sjamaan die tijdens de bestorming van het Capitool een hoofdtooi van bont met horens droeg.

[3] Lees daarover het boek Eigen welzijn eerst van Roxane van Iperen.

[4] (Sagan, 1996)

[5] Citaat uit de beklemmende roman Het bewind van de gelukkigen van Nelleke Noordervliet.

maandag 22 september 2025

Elsje Fiederelsje


De tekst zoemde rond in mijn hoofd na het zien van de beangstigende beelden van het geweld in Den Haag, afgelopen zaterdag.



Elsje Fiederelsje, gooit wat olie op ’t vuur

Links is de grote satan

De gevolgen zijn zuur

 

Tingelingeling, extreem geweld

Haat en veel dreigen

Tingelinge, sla maar op de vlucht

Alles moet stuk

 

Elsje Fiederelsje, vindt: zó hoeft het niet echt

Maar mocht GroenLinks de grootste worden

Roept ze: oorlog! Ik vecht!

 

Tingelingelinge, ruit kapot

Brandende vuilbak

Tingelingelinge op het Plein

Haat en venijn

donderdag 11 september 2025

(A)Sociaal


Moet ik mijn sociale media-accounts opheffen? Als het aan auteurs als Jaron Lanier (kunstenaar en pionier op het gebied van virtual reality) en Thijs Launspach (psycholoog) ligt wel. Vooral platforms als X (voorheen Twitter), Facebook, Google en TikTok zou je als de wiedeweerga moeten verlaten om jezelf, maar ook de wereld, mentaal gezond te houden. Lanier somt in zijn boek Ten Arguments for Deleting Your Social Media Accounts Right Now, zoals de titel al weggeeft, tien dringende redenen op om je accounts op te heffen. Sociale media zouden je beroven van je vrije wil, ze veranderen je in een klootzak, ondermijnen de waarheid (of hollen het begrip uit), maken wat je zegt zin- en inhoudsloos en bovendien hartstikke ongelukkig.

Launspach gaat daar een heel eind in mee. Omdat er een flink beroep op ons gevoel van morele verontwaardiging gedaan wordt bij bepaalde berichten, hebben we de neiging er flink te keer te gaan. Door deze berichten te liken en te delen komen deze elke keer weer bovendrijven. Sociale media gedijen dus blijkbaar het best door een beroep op onze negatieve gevoelens te doen, zoals verontwaardiging, angst en boosheid. Bovendien zegt Launspach dat de socials bij uitstek de plek zijn voor wat moral grandstanding (morele grootsheid) wordt genoemd. Dit is onze neiging om anderen te laten zien dat we gedrag van personen die over de schreef gaan afkeuren. Vooral als deze tot een andere groep dan de onze behoren is deze neiging sterk en effectief. Je kunt deze ander dan makkelijk wegzetten als wappie, schaap of woke.

Sociale media hebben ook de neiging als een soort fuik, (de fabeltjesfuik van Arjen Lubach), bubbel of echokamer en/of megafoon te fungeren. De fuikfunctie zit er vooral in dat de algoritmen ervoor zorgen dat op basis van je eerdere zoekgedrag je zoveel mogelijk van dezelfde content te zien krijgt en zolang mogelijk blijft kijken. Er wordt ook wel van een ‘rabbit hole’ (konijnenhol, een metafoor uit Alice in Wonderland) gesproken. Daardoor kun je zomaar uren achter elkaar je verliezen in het opzoeken van materiaal dat je interessant of amusant vindt. Omdat dit allemaal een beetje veel van hetzelfde is zal je niet snel alternatieven tegenkomen. Ook het waarheidsgehalte van het aangebodene is twijfelachtig op zijn minst. Het is een glijdende schaal waardoor mensen die alleszins normaal en redelijk zijn op den duur zelfs de meest bizarre dingen gaan geloven.

De bubbel zorgt ervoor dat je met zoveel mogelijk gelijkgestemden in aanraking komt. Aangezien die het grotendeels met je eens zijn en veel van je posts zullen beamen is er geen correctie of weerwoord, maar alleen bevestiging. Zo verslapt je kritisch denkvermogen. Op het moment dat iemand door onze bubbel prikt voelen we dit als een aanval of belediging en zullen we er alles aan doen onze gekrenktheid te verzachten, bijvoorbeeld door de opmerking te bagatelliseren, ter zijde te schuiven of juist in de aanval te gaan. Dat laatste is op veel platforms, die dol zijn op escalatie, olie op het vuur en wordt dus ook toegejuicht. Hoe meer ophef, hoe beter, want we blijven dan immers doorlezen. Ophef werkt.

Normaal gesproken zou je, aldus Launspach, wanneer je tegenover een persoon zit die het niet met je eens is een bepaald basisrespect hanteren. In de onlinewereld gaan deze sociale vaardigheden en omgangsvormen het raam uit en vallen we terug op onze primitieve instincten omdat we ons afgeschermd en ongezien wanen. Launspach noemt als vergelijking automobilisten die in de auto helemaal los gaan en de medeweggebruiker de ergste dingen – in Nederland vooral ziektes – toewensen. Vooral omdat er niemand is die ons dan corrigeert.

Lanier heeft het over gemeen-zijn, boosaardigheid bij de omgang op sociale media. Het is volgens hem de ruwe olie van de sociale mediabedrijven. Het is deze negatieve aandacht waardoor gewone mensen veranderen in klootzakken. En de grootste klootzakken krijgen de meeste aandacht. Launspach zegt dat door het dehumaniseren van de ander –  door iemand te reduceren tot een aspect van diens identiteit, persoonskenmerk of mening (woke, wappie) – je ze makkelijker weg kunt zetten als niet-ons-soort-mensen. In het extreme geval kan daardoor zelfs een hele bevolkingsgroep (zoals de Rohingya in Myanmar) het slachtoffer van etnische zuivering worden.

Een recente ervaring op Facebook heeft mij af doen vragen of mijn aanwezigheid daar wel zo zinvol en handig is. Zeker, ten eerste, omdat de eigenaar van het platform, ene meneer Z., zich tot het MAGA-isme heeft laten bekeren – uit overtuiging of lijfsbehoud of een beetje van beide – en de Europese regulering als een aanval op de vrijheid van meningsuiting wegzet. Ten tweede omdat ik de toonzetting bij sommige berichten, met name bij wetenschappelijke artikelen en posts van bijvoorbeeld de NOS – en misschien reageer hier ik vanuit mijn eigen vermeende morele superioriteit – te stom vind om woorden aan vuil te maken. Ten derde omdat ik op een reactie van mijn kant bij een bericht over het LHBTI-beleid van een zekere megakerk op de persoon gespeelde reacties kreeg.

Even een situatieschets: De kerk in kwestie kan of wil geen stellen van hetzelfde geslacht inzegenen. Men kan daar geen bijbelse basis voor vinden. Mede daardoor heeft een groep LHBTI-ers de kerk verlaten. In de reacties stond te lezen dat de bijbel, waar het gaat om relaties, seksualiteit en huwelijk, als leidraad en normgevend moet worden gezien en nagevolgd. Mijn reactie daarop was dat als in de bijbel praktijken als polygamie en slavernij voorkomen deze toch ook geen navolging verdienen. Dat was tegen het zere been. “Deze praktijken worden in de bijbel helemáál niet goedgekeurd!” (Strikt genomen is dat ook zo, maar ze worden ook niet áfgekeurd. Het was ‘gewoon’ iets wat wijdverspreid was. Wel zijn er uitgebreide voorschriften hoe om te gaan met slaven.) Een andere reactie was: “Wat voor bijbel lees jij? De satansbijbel?” Wellicht had ik daar op moeten antwoorden dat ik dat zeker met veel plezier deed. Vooral voor het slapen gaan.

Veel commentatoren haalden dus hun argumenten uit de bijbel die zij als geïnspireerd woord van God zien en dus tijdloos. Dat er andere bijbelvisies bestaan, bijvoorbeeld een meer vrijzinnige of wetenschappelijke, of die de bijbel als mensenwerk zien, leek er niet in te gaan. Half schertsend had ik in het draadje een citaat van de theoloog Harry Kuitert geplaatst: “Alle spreken van Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt.” Daarmee bedoelend, denk ik, dat zelfs als je van de goddelijke oorsprong van de bijbel uitgaat je altijd nog een kaste van theologen, exegeten, hermeneuten, predikanten en dergelijke nodig hebt om de bijbel te verklaren en uit te leggen. In bepaalde kringen werkt de naam van Kuitert blijkbaar nog steeds als een rode lap bij een stier. “Wat weet een ongelovige van geloofszaken?” Vrijzinnigheid is blijkbaar een vies woord.

De ironie was ze ontgaan en de knuppel was in het hoederhok beland. Vervolgens had de persoon die mij betichtte van het lezen van de satansbijbel mijn Facebookprofiel gelezen en verontwaardigd gereageerd dat ik – die gewerkt had als geestelijk verzorger – eigenlijk een soort nestbevuiler was. Mijn uitleg dat een geestelijk verzorger ook een humanist kan zijn, en dat mijn werk als rondleider bij een ruimtevaartmuseum niets met geloof en religie te maken had viel niet goed, maar bevestigde hem in de mening die hij over mij gevormd had. (Op diens profiel zag ik berichten over creationisme en veel antilinks sentiment.) Ik moest vooral doorgaan met mijn slavenleventje. Na deze jij-bak vond ik het wel genoeg, wenste ik deze persoon het allerbeste en blokkeerde hem. Ook was dit voor mij nu even het moment om een aantal mensen te ontvrienden. Het opschonen van je vriendenlijst lucht soms lekker op.

Nu, ik snap dat ik daarmee mij wellicht iets meer in mijn eigen bubbel terugtrek. Ik heb er geen moeite mee als mensen een andere mening hebben. Waar ik echter een grens trekt is wanneer er op de man gespeeld wordt. Een wijze les voor mij is dat ik een volgende keer niet meteen toehap bij dergelijke berichten. De neiging bestaat om een dergelijk bericht te gebruiken om over en weer elkaar eindeloos jij-bakken toe te gooien. Misschien moet ik mensen, op basis van wat ze op sociale media plaatsen, ook niet meteen typeren als ‘fundamentalist.’ Alhoewel sommigen - zoals in dit geval - dit als een soort geuzennaam dragen.

Tegelijk vind ik het werkelijk tenenkrommend wat mensen allemaal het web opslingeren. (Daar heb je die boosheid en verontwaardiging weer.) Het gevoel van boosheid of belediging is soms iets wat veel te lang aan me blijft knagen. Dus: note to myself: ga niet mee in de stroom van negativiteit, reageer constructief en onderbouw wat je zegt. Of tel tot tien en vraag je af of de kool de sop wel waard is en doe iets nuttigs of ontspannends. En: vraag je af of je misschien zelf als een klootzak hebt gedragen. Of vraag het een ander. Maar dan face to face. Dat werkt beter en minder polariserend. Denk ik.

Bibliografie

Lanier, J. (2018). Ten Arguments for Deleting Your Social Media Accounts Right Now. London: Penguin Random House UK.

Launspach, T. (2023). Asociale media. Hoe socials je manipuleren en hoe je ontsnapt aan hun greep. Amsterdam: Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv.



Laat ons eten en drinken

De volgende tekst is een weergave van de overdenking die ik heb gehouden in de dienst in de Remonstrantse kerk in Den Haag op 14 juni 2026. ...