woensdag 2 oktober 2024

Naar Parijs geweest. Een opstel (2)

Sous le ciel de Paris

Na een kort weekend in Parijs te hebben vertoeft lijkt het, nu de week weer doormidden is en de oktobermaand twee dagen oud, alsof het een eeuwigheid geleden is. Het weekend is voorbij gevlogen en toch… Gevoelsmatig lijkt het paradoxaal genoeg of de luttele dagen in Parijs veel langer hebben geduurd dan wat klok en kalender aangeven. Tijd lijkt in dezen een nogal rekbaar iets. Het omgekeerde gebeurt bij verveling en sleur. Dan kruipen de minuten voorbij, maar terugkijkend zijn deze omgevlogen. Wat ik begrijp van de psychologie van de tijd is dat, wanneer je veel afwisseling ervaart en nieuwe indrukken opdoet, dit van invloed is op je tijdsbeleving. Waarschijnlijk dat daarom je kindertijd gevoelsmatig veel langer heeft geduurd dan de jaren van volwassenheid, gewoon omdat alles dan nieuw is. Daarna is het vooral veel van hetzelfde en routine waardoor gelijksoortige ervaringen zich samenballen tot een soort homogene massa van herinneringen.[1]

Het is lang geleden dat ik voor het laatst in Parijs ben geweest en de herinneringen aan mijn vorige bezoek zijn wat flets en aangetast door de tijd. Ik was toen met mijn toenmalige partner in Disneyland. Vandaaruit ben je met de metro relatief snel in het centrum. Zo herinner ik me onder andere de metrorit gedurende welke een bandje met accordeon en balalaika ‘spontaan’ het ongeïnteresseerde publiek in het treinstel op een uptempo Slavisch liedje trakteerde. Vervolgens gingen de muzikanten met de onvermijdelijke pet rond om zich te laten belonen voor hun optreden. Wat ik mij verder nog kan herinneren: de Notre-Dame (niet bezocht, want te druk), het Centre Pompidou (een gebouw dat binnenstebuiten lijkt te zijn gekeerd), een wandeling langs de Champs-Élysée, de Eiffeltoren en een miniversie van het Vrijheidsbeeld.

Zoals ik eerder aangaf zijn deze herinneringen redelijk vervaagt en ook de foto’s zijn foetsie. Dus ik heb ook geen materiaal meer om het geheugen op te frissen. Het was dan ook fijn om, nu in gezelschap van Remco en vrienden Peter en Boris, die ons de tickets voor het concert van Mylène Farmer cadeau hadden gedaan, de Lichtstad en de la ville de l’amour weer te bezoeken. Ons hotel in Montparnasse stond, zoals gezegd, relatief dichtbij het Île de la Cité en de Eiffeltoren. De volgende dag, na het (fantastische) concert zouden we dan ook het ontbijt in het hotel overslaan om in de stad te gaan eten. Helaas stond ik die morgen op met een fikse hoofdpijn. Een gevolg van de autorit of het concert? Of was het wellicht toch dat weinig steun biedende flimsy kussentje?

Enfin, al wandelend bereikten we wat later die ochtend het etablissement dat Peter en Boris hadden uitgezocht: Les Deux Magots, het bekende literaire café en restaurant aan de Place Saint-Germain-des-Prés. Hoewel je wel de hoofdprijs voor een consumptie betaalt (9 Euro voor een koffie) is Les Deux Magots een bezoekje meer dan waard. Al was het alleen maar om de rij beroemdheden die daar ooit neerstreken zoals Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Albert Camus, Ernest Hemingway, Pablo Picasso en Bertolt Brecht. Ook de huidige clientèle draagt bij aan de bijzondere sfeer van Les Deux Magots, zoals de charmante en vriendelijke Parisienne vlakbij ons. Deze had duidelijk moeite gedaan om goed gekleed, gekapt en gemake-upt haar café au lait te nuttigen. Veel meer moeite dan menig hoppezakkerige toerist in zijn of haar tenue steekt.

Het bezoek aan Les Deux Magots had mij goed gedaan. Mijn hoofpijn was inmiddels gezakt en de voortgezette wandeling bracht ons naar de oevers van de Seine met zijn boeken- en prentenstalletjes. En natuurlijk zijn massa’s toeristen. Op het Île de la Cité aangekomen was het ook voor ons even de typische toerist uithangen door een selfie te maken bij de Nortre-Dame en vervolgens naar Les Halles, het megagrote winkelwalhalla in hartje Parijs, te lopen. Vandaar was het vervolgens met de metro naar de Eiffeltoren. Ik moest tijdens het ritje denken aan iets wat ik in het boek Underland van Robert Macfarlane had gelezen. In het hoofdstuk over Parijs beschrijft hij een claustrofobische tocht door de gangen en ruimtes die zich onder de stad uitstrekken. Het einddoel is de Salle du Drapeau, de zaal van de vlag. Het laatste stuk voor de Salle du Drapeau moet Macfarlane  zich door een benauwde kruipruimte wurmen. Angst bekruipt hem en hij wil teruggaan, maar hij kan alleen maar rechtdoor. Plotseling wordt hij een brommend geluid gewaar. Hij blijkt zich direct onder een metrotunnel te bevinden.

A faint shudder at first, but clear and now growing in strength and noise. The ceiling, the unstable ceiling, is humming with tremor. The rumbling rises to a thunder and I can hear clicks and clacks among the rumblings… These are trains above us, we are directly underneath the Métro and overground lines. (Macfarlane, 2019)

Na een paar minuten tijgeren wordt de tunnel wijder en kunnen Macfarlane en zijn gids verder lopen naar de Salle du Drapeau. Daar heeft een feestend gezelschap zich verzameld onder de Franse driekleur en waar zij zich tegoed doen aan wijn, wodka en brie terwijl Bowie uit de luidspreker schalt.

(Parijs heeft ook een andere onderkant behalve de catacomben en tunnels waar Macfarlane van vertelt. Overal in de stad, naast chique restaurants en boetieks en voor het oog van de vele zich aan de monumenten vergapende toeristen proberen daklozen - als menselijk zwerfvuil - hun kostje bij elkaar te scharrelen of gewoon te overleven. Zo stond er, toen we tijdens de heenweg op de oprit naar de Périphérique reden, een haveloze man vanuit de goot zijn pet naar de passerende automobilisten uit te steken voor een aalmoes. In winkelstraten, onder luifels en in plantsoenen hadden vele van deze clochards, met hun uitgebluste ogen, geklitte haar en hun schamele bezittingen in een paar tassen, een droog plekje weten te bemachtigen. Aan de lege flessen te zien was de drank voor velen het enige gezelschap.)

Na een korte rit konden we ons vergapen aan Gustave Eiffels smeedijzeren meesterwerk. We waren duidelijk niet de enigen. Rondom de eerste verdieping staan de namen van beroemde Franse wetenschappers als Cuvier, Laplace en Ampère. Na de Seine over te zijn gestoken beklommen we de trappen naar het Palais de Chaillot vanwaar we een prachtig uitzicht hadden richting de Eiffeltoren. Dit was dezelfde plek waar ook Hitler, na de Franse capitulatie in 1940, zich liet vereeuwigen. Maar dit terzijde.. Onderaan het Palais de Chaillot werd druk gewerkt om het tijdelijke decor van de openingsceremonie van de Olympische Spelen weer af te breken. Na een korte wandeling streken we neer op het terras van restaurant Le Centenaire voor het diner. Toen uiteindelijk de zon lager ging staan vonden we het prima om richting het hotel in Montparnasse te gaan maar niet voordat we nog even een wijntje bij Le Standard hadden gedronken en wat over het leven te filosoferen. De volgende ochtend, voor het uitchecken en de terugreis, genoten we nog een keer van een petit-déjeuner met croissants en koffie.

Parijs heeft natuurlijk nog veel meer in de aanbieding dan de plekken die we in de luttele tijd die we tot onze beschikking hadden konden bezoeken. Hopelijk kunnen en zullen we, tijdens een uitgebreider verblijf wat meer en langer genieten van al het fraais dat deze boeiende stad te bieden heeft.



[1] Sla het gelijknamige hoofdstuk in Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt van Douwe Draaisma erop na.

maandag 30 september 2024

Naar Parijs geweest. Een opstel (1)

Toen ik nog op de lagere school zat gingen we als leerlingen jaarlijks op schoolreisje. Dat was gewoonlijk tegen het einde van het schooljaar. Erna was het gebruikelijk om van de opgedane ervaringen een verslag in de vorm van een opstel te schrijven. Voor kinderen in die leeftijd is het niet vanzelfsprekend dat zo'n opstel meteen in aanmerking komt voor een literatuurprijs, maar oefening baart kunst zal ik maar zeggen. Meestal was zo'n opstel een opsomming van activiteiten aan elkaar geregen met 'en toen.' 'En toen gingen we naar de bus. En toen viel Liesje van de schommel. En toen moest de juf plassen. En toen werd Henkie misselijk...' Enfin, iets in die trant dus. Ik kan me nog herinneren dat een juf (of meester) een beetje onpasselijk van al die en-toens werd en haar leerlingen dus aanmoedigde wat creatiever met de tekst om te gaan. Waarschijnlijk om het leeswerk voor haar ook wat aangenamer te maken.

Het is verleidelijk om van mijn/ons recente bezoek aan Parijs ook zo'n opsomming te maken. 'En toen gingen we naar het stadion. En toen gingen we na het concert weer naar de Metro...' Et cetera. Dit omdat, ondanks de korte tijd die we er hebben doorgebracht best wel veel hebben gedaan en gezien. De aanleiding om naar de Franse hoofdstad af te reizen was een bezoek aan het concert Nevermore van Mylène Farmer in het Stade de France. Hetzelfde stadion dus waar recent nog atleten trachtten de fel begeerde Olympische medaille te bemachtigen. Na een voorspoedige rit naar Parijs en na ons door de notoire verkeerschaos op de Boulevard Périphérique te hebben geworsteld kwamen we aan bij ons hotel in Montparnasse.

Er was nog voldoende tijd om de omgeving te verkennen voordat ons gezelschap richting het Stade de France zou gaan. De grauwe wolkenlucht was inmiddels opengebroken en zo hadden we even een onbelemmerd uitzicht op de ciel de Paris vanwaar een vriendelijk zonnetje de nog natte straten deed glinsteren. Een aangename verrassing was de Jardin du Luxembourg met zijn Grand Bassin en vele beelden welke zich op loopafstand van het hotel bevond.

Jardin du Luxembourg

Om niet met een lege maag naar het stadion te reizen streken wij neer bij Tabac de la Sorbonne, een restaurant aan de Boulevard Saint Michel. Omdat na het eten de hemelsluizen weer open waren gegaan, waren Remco en ik genoodzaakt in een alleraardigst winkeltje genaamd Parapluie Simon twee regenponcho's aan te schaffen. Deze bleken later bij het stadion geen overbodige luxe te zijn. Vrienden Peter en Boris bleken genoeg te hebben aan de jassen die zij al droegen.

Nu ben ik zelf geen liefhebber van grote mensenmassa's. Vroeger zou ik mij er zeer ongemakkelijk in hebben gevoeld, maar in de loop der jaren is er bij mij een zekere gewenning ontstaan waardoor ik de drukte makkelijk kan ondergaan. En druk was het bij het Stade de France waar zo'n 80 duizend fans van Mylène Farmer zich hadden verzameld. De veiligheidsmaatregelen waren dan ook niet gering en zo werd het toegestroomde publiek, wij niet uitgezonderd, grondig gefouilleerd.

Uiteindelijk wisten we onze zitplaatsen te bereiken: twee kuipstoeltjes helemaal bovenin de tweede ring tegen de muur geplakt. Daar wurmden we ons met veel bon soirs en excusez mois tussen de andere bezoekers die daar al zaten. Groot voordeel van onze zitplaatsen was dat deze overdekt waren. In geval van regen zouden we dus droog hebben gezeten. Overigens is het gedurende het hele concert droog gebleven. Een gelukje voor de mensen op de vloer en het podium.

Als je mij een aantal jaren geleden zou hebben verteld dat ik nog eens een concert van Mylène Farmer bij zou wonen zou ik je niet geloofd hebben. Sowieso was zij voor mij een redelijk onbekende artiest en had ik geen idee van haar status als superster en muzikale grootheid in de Francofone wereld. Farmers bekendste hit is Désenchanté (1991) die ik eerder alleen in uitvoering van de Belgische Kate Ryan kende. Volgens Wikipedia is Désenchanté geïnspireerd op een boek van de Frans-Roemeense filosoof Emil Cioran. De tekst is vrij pessimistisch van toon en gaat over een teleurgestelde generatie die de gevoelens voor de wereldgebeurtenissen van die tijd weerspiegeld.

Farmer stelde haar fans niet teleur en wist een spectaculaire show neer te zetten, geheel in de stijl van Edgar Allen Poe's gedicht The Raven. Vandaar de titel 'Nevermore,' het enige woord dat de geheimzinnige raaf ik het gedicht zegt. Verrassend was het duet met de Amerikaanse zanger Seal. Traditiegetrouw werd Désenchanté aan het einde van het concert gezongen, voor het laatste nummer. Op het moment dat de eerste tonen van Desenchanté klonken ging het voltallige publiek uit zijn dak en zong luidkeels het refrein mee:

Tout est chaos à côté
Tous mes idéaux, des mots abimés
Je cherche une âme, qui pourra m'aider
Je suis d'une génération désenchantée
Désenchantée

Omdat mijn kennis van het Frans abominabel is zal mijn fonetische gelal wel onverstaanbaar zijn geweest voor mijn buren.

De volgende dag was vooral om even de toerist uit te hangen en naar het Île de la Cité en de Eiffeltoren te gaan. De tijd - slechts een dag - was te kort om alle hoogtepunten van de stad te bekijken of te bezoeken. Wordt vervolgd dus.

maandag 16 september 2024

Memento mori en lechajim!


Omdat manlief werkt bij een van de mooiste begraafplaatsen van Nederland: Sint Petrus Banden, mocht hij daar het afgelopen weekend in verband met Open Monumentendag acte de préséance geven. Voor die gelegenheid was ook de priesterlijke crypte onder de kapel kort geopend voor bezichtiging. Remco ging wat eerder de deur uit om zich bij de poort te posteren om de bezoekers te ontvangen met koffie, koek en brochures. Ik zou hem wat later achterna reizen met de bus. Wel fijn dat ik met lijn 22 van de HTM in slechts een half uurtje en zonder overstap naar de monumentale begraafplaats kon rijden.

Het nieuws van de tijdelijke openstelling van de crypte zorgde voor een aardige stoet belangstellenden. Ik mocht dus, eenmaal daar aangekomen, achter aansluiten bij de andere bezoekers. In de crypte was inmiddels al een eerste groep van vijftien bezoekers naar binnen gegaan. Gelukkig hoefde ik niet heel lang te wachten en hoorde ik bij de gelukkigen die deel uitmaakten van de volgende vijftien die langs het steile trapje mochten afdalen. Binnen stond de directeur klaar om iedereen te verwelkomen en uitleg te geven. De kruisvormige ruimte met tongewelf bevat diverse priestergraven en ossuaria (beenderkistjes). Recentelijk is de hele ruimte nog gerestaureerd en van een nieuwe vloer voorzien, vertelde zij.

Na wat rondgekeken te hebben was het weer tijd om de crypte te verlaten. Omdat Remco en ik later die middag met vrienden hadden afgesproken om de rest van de begraafplaats te bekijken zou ik tot die tijd de omgeving verkennen en kijken welke monumentale zaken nog meer te bezichtigen waren. Nu ligt Sint Petrus Banden op loopafstand van het Vredespaleis en dus besloot ik, na eerst een kopje koffie te hebben gedronken, die kant op te lopen. Zo passeerde ik de joodse begraafplaats waar bij de ingang een aantal vrijwilligers trachtte de vlag van de Open Monumentendag aan het hek te bevestigen. Om 12 uur zou de begraafplaats te bezichtigen zijn.

Na een kort bezoek aan het bezoekerscentrum van het Vredespaleis - wat zelf niet te bezichtigen was -keerde ik weer terug naar de joodse begraafplaats. Daar was ik van harte welkom om zelf even rond te kijken en eventueel deel te nemen aan een rondleiding. Mits ik dan wel een hoofdbedekking op de schedel plaatste. Omdat ik geen hoed of pet bij mij had werd er vlot een keppeltje aangeboden. Daarmee getooid - en altijd op mijn hoede voor eventuele windvlagen die het stukje textiel in een frisbee zouden veranderen - betrad ik de begraafplaats.

Een groter contrast met het katholieke Sint Petrus Banden was niet denkbaar. In tegenstelling tot deze begraafplaats met zijn classicistische bouwwerken en geometrisch aangelegde grafmonumenten was de joodse begraafplaats een sobere dodenakker met verweerde en met korstmos bedekte gedenkplaten. Het geheel had daarmee een heel andere charme maar was daarom niet minder sfeervol. Hier leek de natuur de overhand te hebben terwijl bij de katholieke buren het vooral de mens was die de natuur met liniaal en waterpas in een strak keurslijf had gehesen. Overigens was op de joodse begraafplaats het gras voor de gelegenheid gemaaid.

De gids op de joodse begraafplaats vertelde iets over het ontstaan en gaf toelichting bij bijzondere grafmonumenten. In 1694 werd een eerste stukje duingrond aangekocht om overleden Sefardische en Asjkenazische joden[1] te begraven. Het Sefardische gebruik van liggende grafstenen werd overgenomen door de Asjkenazische joden zodat er weinig rechtopstaande grafmonumenten te vinden zijn. Van lieverlee werd de begraafplaats met verdere aankopen van grond uitgebreid. Op de begraafplaats liggen onder meer de schilders Jozef Israëls en Salomon Verveer en Neerlands eerste joodse minister begraven.

Een bijzonder detail dat mijn opviel was de afbeelding van twee handen op sommige zerken. Het gaat hier om de zegenende handen van Cohen. Van de Cohens wordt gezegd dat zij afstammen van de bijbelse priesters die dienst deden in de tempel in Jeruzalem en dus gemachtigd zijn om de zegen te geven aan de geloofsgemeenschap. De wijze waarop de vingers gespreid zijn zou een verwijzing zijn naar de Hebreeuwse letter Sjin, ש, de eerste letter van Sjaddai, wat 'almachtige' betekent.

Waar ik dit gebaar vooral van ken is de serie Star-Trek, waarin de Vulcan Mr. Spock, gespeeld door Leonard Nimoy, regelmatig bij wijze van groet zo de hand opsteekt en eraan toevoegt: ‘Live long and prosper.’ Inderdaad heeft de joodse acteur Nimoy zelf dit gebaar ooit geïntroduceerd met de priesterlijke zegen in gedachte. Ik vraag me af hoeveel Trekkies dit weten.

Joden kennen eeuwige grafrust en dus worden de graven niet geruimd. De doden wachten daar de komst van de Messias af en dag van de wederopstanding. Dit wil niet zeggen dat de begraafplaats altijd met rust is gelaten. In de Tweede Wereldoorlog was het terrein Sperrgebiet en liepen er loopgraven doorgeen. Ook zijn er V2’s vanaf gelanceerd (waarbij de installatie met grafstenen werd ondersteund) en is er een Britse vliegtuigbom ontploft. Van de kapotte grafstenen is later een klein monument gemaakt.

Een bezoek aan beide begraafplaatsen maakt veel inzichtelijk over de theologische verschillen tussen katholieken en joden[2], maar vooral over de voorstellingen en verwachtingen met betrekking tot wat er eventueel ná dit leven komt. De joodse gids liet het in het midden of er zoiets is als een hiernamaals. ‘Afwachten maar. En die Messias en de wederopstanding? We zullen zien.’ Het joodse geloof lijkt vooral gericht op hoe je hier en nu het goede leven kunt bewerken. Of dit representatief is voor alle joden weet ik niet. Ik ben geen insider, maar deze gedachte spreekt wel aan.

Het jodendom, net als alle andere religies, is divers en kent vele stromingen dus zal daar ook wel verschillend over worden gedacht. De katholieke begraafplaats lijkt vooral een opstapje naar de hemel te zijn, de eeuwige gelukzaligheid waar de gelovige op mag hopen. Vandaar ook de vele afbeeldingen van engelen en vortexen van opstijgende zaligen. Maar ook van de vele nuances van het katholieke geloof weet ik niet alles.

Aan het einde van de middag verschenen onze vrienden op Sint Petrus Banden om daar de kapel, arcade en grafmonumenten te bekijken. Nadat Remco met zijn collega had opgeruimd en afgesloten vertrokken we aansluitend naar restaurant Phuket in Scheveningen voor een heerlijke Thaise maaltijd. Zo werd deze Open Monumentendag een memento mori-dag afgesloten met een welgemeend ‘lechajim!’ Op het leven!



[1] Sefardische joden zijn afkomstig uit met name Spanje en Portugal vanwaar, nadat het zeer katholieke koningskoppel Isabella en Ferdinand besloten dat met het innemen van de laatste moslimenclave hun hele grondgebied katholiek moest zijn, vele joden besloten elders een veilig heenkomen te zoeken. Asjkenazische joden zijn vooral afkomstig uit Midden en Oost-Europa.

[2] Zo werd door een van de bezoekers de vraag gesteld of God in het jodendom en in het christendom wel dezelfde is. De gids antwoordde daarop dat het christendom is voorgekomen uit het vroege jodendom en dat het Oude Testament de bijbel van de joden is. De joodse bijbel of Tenach kent wel een wat andere indeling dan het Oude Testament. Wat betreft God benadrukt het jodendom de eenheid van God, hoewel de oudste delen van de bijbel laten zien dat de oude Israëlieten geen strikte monotheïsten waren. De hoofdstroom van het christendom ziet God als een drie-eenheid van Vader, Zoon en heilige Geest.


donderdag 1 augustus 2024

Avondmaal of Bacchanaal

In reacties op het tableau vivant – Laatste Avonmaal of Bacchanaal – dat tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen werd vertoond werd regelmatig het woord spotten gebruikt. Spotten, niet in de zin van vogel- of vliegtuigspotten, maar in de zin van honen, belachelijk maken of beschimpen. Vaak met het doel om iemand te kwetsen. Met name de verwijzing naar, of de parodie van, het Laatste Avondmaal werd door velen als nodeloos grievend, kwetsend en blasfemisch ervaren. Terecht of niet, er volgde vrijwel meteen een online welles-nietesdiscussie daarover. Naast alle ophef vanuit religieuze hoek meenden ook ultrarechtse politici zich in het koor van verontwaardigden te moeten voegen en met onversneden haattaal de aanval te moeten openen. Zo had Wilders het over ‘woke-onzin.’

Volgens de regisseur en choreograaf Thomas Jolly ging het om een voorstelling uit de Griekse mythologie. Dus niet het Laatste Avondmaal, maar een bacchanaal. Vervolgens werd verwezen naar een schilderij van de Utrechtse schilder Jan van Bijlert met de titel Het feest(maal) van de Goden. Gezien het opdienen van de god Dionysus in de gedaante van een blauw geschilderde en schaars geklede zanger in een fruitschaal lijkt mij dit logischer. Zulks is ook te lezen in een artikel in Trouw:

‘De Griekse mythologie heeft meer raakvlakken met de Olympische Spelen dan de Bijbel – de Olympische Spelen zijn immers in het oude Griekenland bedacht. Bovendien is Dionysos in Frankrijk, als god van de wijn, een populaire figuur. In ieder champagnehuis staat wel een beeld van de vrolijke dronkaard, hij staat symbool voor de joie de vivre.’ (Dijk, 2024) De gekroonde voluptueuze dame (Barbara Butch) achter de draaitafel stelde dan ook niet Jezus voor, maar Apollo. De ‘discipelen’ betreffen hier de goden van de Olympus. Maar eerlijk gezegd zijn de reacties en de daarbij horende excuses van de organisatoren ook niet altijd duidelijk en bovendien tegenstrijdig. In het laatste geval lijkt het wel om een knieval naar fundamentalisten te gaan en wellicht ook een stukje ‘damage control.’

In eerste instantie dacht ik ook naar een door dragqueens uitgebeeld Laatste Avonmaal te zitten kijken. Nu is het iconische fresco van Leonardo da Vinci al regelmatig  een bron van inspiratie geweest en geparodieerd. Zo bestaan er ‘Avondmalen’ met legopoppetjes, Hollywoodacteurs en Barbies. In de tekenfilmserie The Simpsons dient Moe’s Tavern als decor voor een soort Avondmaalsscene met de vaste stamgasten als deelnemers. Bij mijn weten waren de protesten daartegen schaars en mild. Ik vermoed dus dat nu de tafelgasten een bont gezelschap van dragqueens betrof dít vooral de spreekwoordelijke steen des aanstoots was. Misschien ook omdat beide taferelen (Avondmaal en bacchanaal) naadloos in elkaar over leken te gaan. Ik sluit mij aan bij dominee Koen Holtzapffel als deze zegt: ‘Laten we ervan uitgaan dat beide tradities bron van inspiratie waren.’ (Bron: NRC[1]) Een lesje kunstgeschiedenis en mythologie zou in dezen wellicht nuttig zijn geweest.

Daags na de opening van de Spelen trok een van de sponsors zich dan ook meteen terug. Een ChristenUnie-Kamerlid vond dat er met de ceremonie geschopt werd tegen de meest vervolgde groep mensen op aarde, namelijk de christenen. Zonder christenvervolging te bagatelliseren wil ik er even aan toevoegen dat vrijdenkers, atheïsten en LHBTI’ers in overgrote delen van deze nog steeds zeer religieuze wereld ook volop te maken hebben met vervolging. In zeven landen kun je zelfs de doodstraf krijgen voor vrijwillige seks tussen volwassenen van hetzelfde geslacht: Brunei, Iran, Mauritanië, een deel van Nigeria, Saudi-Arabië, Jemen en Oeganda. (Bron: Amnesty International) Nu gaat het mij niet om een wedstrijdje ‘wie-wordt-er-het-meest-vervolgd.’ Maar de slachtoffer-  en vervolgingstroefkaart wordt snel getrokken. En dat terwijl in Frankrijk en de rest van Europa gelovigen geen strobreed in de weg gelegd wordt om hun geloof te uiten. Daarentegen krijgen LHBTI’ers ook in Europa met pesterijen en geweld te maken. Maar ik heb nog niet gehoord van busladingen dragqueens die gelovigen of hetero's met hun naaldhakken en haarlak te lijf gaan. Onlangs nog vond een jochie van 10 het nodig om luidkeels ‘Homo!’ te roepen toen mijn partner en ik terugkwamen van het boodschappen doen. En dat terwijl we niet eens hand in hand liepen. Laat staan in volledige dragoutfit of met een leren pet op. Een klein incident, maar het kan erger zoals velen ervaren hebben.

Dat mensen hun ongenoegen en boosheid uiten over iets wat ze kwetsend vinden (ik ga ervanuit dat deze gevoelens echt en oprecht zijn) respecteer ik. Helaas begon er al snel ook een minder fraaie, ronduit lelijke en enge discussie op te borrelen uit de riolen van het internet door lieden die het nodig vonden te gaan schelden en dreigen naar mensen die het opnamen voor de organisatoren of alleen maar een wat mildere of vergoelijkende toon aansloegen. Zo trok iemand zich terug van Facebook wegens gevoelens van onveiligheid na online bedreigingen. DJ Barbara Butch schrijft op haar Instagrampagina dat ze na haar optreden steeds extremere bedreigingen aan haar adres ontving. Zo is zij bedreigd met de dood, marteling, verkrachting en werd zij het mikpunt van antisemitische (Butch is joods), seksistische en homofobe beledigingen.  Alles bij elkaar een 'fraaie' bloemlezing. Inmiddels heeft ze aangifte gedaan. Anderen kregen het etiket ‘satanist’ opgeplakt. Ook de verwijzing naar Olympische goden bleek voldoende om de hele vertoning als satanisch te bestempelen. (Trouwens wonderlijk hoe Gods gehoornde tegenspeler weer een onverwachte comeback maakt. Ook atheïsten worden nog wel eens satanist genoemd, wat curieus is aangezien zij het bestaan van [een] God ontkennen en dus ook van de duivel.)

Er wordt in de commentaren nogal eens gesproken van ‘spotten.’ Wie de bijbel erbij pakt ziet dat er met God inderdaad niet te spotten valt. De straf erop is draconisch. De relatie tussen het heilige en het satirische blijft een moeizame. Toch is spot ook het wapen bij uitstek waarmee Gods woordvoerders zich bedienen waar het gaat om zich te verzetten tegen, of belachelijk maken van andermans goden. De profeet Jeremia heeft het over goden van hout die als een vogelverschrikker neergezet worden in een komkommerveld. Elders wordt gesproken van ‘stinkgoden.’ De profeet Elia bespot zijn tegenstanders, de priesters van Baäl, door te suggereren dat hun god dutje doet of zit te poepen. (1 Koningen 18 vers 27) Wat voor God (JHWH) dus uit den boze is geldt dus niet voor Baäl, Zeus of Osiris. Je zal maar een aanbidder van een van deze goden zijn geweest. Hoe gekwetst zal deze niet zijn geweest als iemand je god vergelijkt met een vogelverschrikker?

Ik denk dat tegenwoordig weinig mensen zich nog druk maken om beledigingen aan het adres van Baäl, Dionysus of Wodan. Dat komt omdat hun religies en aanbidders lang geleden zijn verdwenen. Voor aanhangers van nog bestaande religies is dat een andere zaak. Echter, in de loop van de geschiedenis hebben de goden van Egypte, Mesopotamië, Griekenland en Rome het veld moeten ruimen. Het christendom dat ooit bloeide in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is daar vrijwel verdwenen. Dat geldt ook voor het boeddhisme in Afghanistan of het zoroasterisme in Iran. Uiteindelijk zullen veel van de moderne religies ook verder evolueren en wellicht plaatsmaken voor iets anders. Als meteen onomwonden duidelijk was geweest dat het tableau vivant op die brug in Parijs naar de Olympische goden verwees dan waren de rapen wellicht minder gaar geweest. Alhoewel ik vermoed dat het optreden van dragqueens ondanks dat nog steeds voor heel veel ophef zou zorgen.





[1]https://tinyurl.com/ymxvkcnu

vrijdag 19 juli 2024

Tegen domheid is geen kruid gewassen

Bij het opruimen van de kelder kwam ik het boek ‘Verzet en overgave’ van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer tegen. Bonhoeffer heeft door zijn verzet tegen het Nazi-regime een onuitwisbare indruk achtergelaten. Dit verzet leidde ertoe dat hij uiteindelijk gevangen werd genomen en op 9 april 1945 alsnog op bevel van Hitler zelf geëxecuteerd. Dit was vlak voor de bevrijding van Flossenburg waar hij vastgehouden werd. Bladerend door het boek kwam ik Bonhoeffers scherpe en hoogst actuele analyse van domheid tegen. In licht van de recente ontwikkelingen rond Trump en gelijksoortige populisten een analyse om ter harte te nemen.

Zo stelt Bonhoeffer dat domheid gevaarlijker is dan slechtheid omdat je tegen de laatste je nog kunt verzetten. “Het kwaad draagt altijd de kiem van zijn eigen ondergang in zich.” Maar volgens Bonhoeffer zijn we weerloos tegen domheid. Hoeveel argumenten je ook aandraagt, het baat niets. Feiten die niet stroken met het eigen vooroordeel worden ter zijde geschoven en ongeloofwaardig gevonden. De domme mens kan zelfs kritisch en sceptisch worden. (“Ik heb zelf onderzoek gedaan.") Bonhoeffer noemt de domme mens prikkelbaar en agressief. Redelijke argumenten ketsen op hem af. In zijn analyse stelt Bonhoeffer dat het de domme mens niet zozeer aan intelligentie ontbreek (complotdenkers zijn vaak intelligent), maar dat er sprake is van een moreel tekort. Een kapot moreel kompas, zo je wil.

Domheid is niet zozeer aangeboren maar een gevolg van omstandigheden waarin de mens dom gemaakt wordt. Het is eerder een sociologisch dan een psychologisch probleem. Met name waar politieke en/of religieuze machtsontplooiing een rol speelt wordt een groot deel van de mensen met domheid geslagen. “De macht van de een vraagt om de domheid van de ander.” Volgens Bonhoeffer worden mensen door machtsontplooiing beroofd van hun innerlijke zelfstandigheid en moreel kompas en offeren ze deze op om zich te verhouden tot de wereld waarin ze zich bevinden. Al pratend met de domme mens merk je dat je niet meer met de persoon zelf te maken hebt, maar met de slogans en leugens die hem beheersen. “Hij leeft in een ban en is verblind en aangetast in zijn wezen en misbruikt.” Daardoor is de domme mens een willoos instrument, in staat om verschrikkelijke dingen te doen omdat hij niet meer in staat is het kwaad als zodanig te herkennen.

In het licht van de recente gebeurtenissen in Amerika, de persoonlijkheidscultus rond Trump en het door hem uitgebuite martelaarschap, welke inmiddels religieuze en sektarische trekken vertoont, zijn de woorden van Bonhoeffer weer razend actueel en een waarschuwing om niet opnieuw in deze valkuil te lopen. Bonhoeffer heeft immers aan den lijve ondervonden waartoe domheid gefaciliteerd door massahysterie kan leiden. 

maandag 15 juli 2024

Utopie of dystopie?

 


Soms heb ik wel eens het idee dat we ergens in de geschiedenis een verkeerde afslag hebben genomen. In 1983 hielden de broers Rudolf en Robbert Das, beiden futuroloog, in hun boek Zicht op de toekomst: de wereld 80 jaar verder de lezer een zonnig toekomstbeeld voor. Ik kan mij herinneren dat ik naar die toekomst uitkeek. Hoewel ik ook besefte dat ik dan, als ik nog in leven zou zijn, mijn achtennegentigste verjaardag zou vieren. Maar je weet maar nooit. De medische wetenschap zou dan een stuk verder zijn ontwikkeld waardoor ook het leven van de hoogbejaarde medemens wellicht een stuk minder krakkemikkig zou zijn. Schone energie en duurzame bouw en vervoer zouden zorgen voor schonere en parkachtige steden. Het fileprobleem zou een eigenaardige voetnoot uit het verleden zijn. Computers en robots zouden veel van het geestdodende, vuile en gevaarlijke werk uit onze handen nemen. Daardoor zouden mensen in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw vooral veel vrije tijd hebben. Tijd die besteed kon worden aan sport, kunst en wetenschap. Die sport kon rustig in je blootje beoefend worden want ook preutsheid was verdwenen. Relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht zou niemand nog doen fronsen.

En ziedaar waar we nu, aan het eind van het eerste kwartaal van de eenentwintigste eeuw, zijn aanbeland. Onlangs zag ik nog een berichtje dat homoseksualiteit juist weer minder geaccepteerd wordt onder jongeren. Conservatieve en reactionaire organisaties, politici en clerici, in pak of soutane, pleiten voor een terugkeer naar traditionele normen en waarden. Decennia van emancipatie, feminisme en LHBTI-rechten worden ter discussie gesteld of zelfs al ondergraven. Er wordt openlijk geflirt met extreemrechts gedachtegoed en racistische complottheorieën tieren welig. Autoritaire leiders werpen zich op als hoeders van de moraal en worden bewonderd en bewierookt. Fascisme kleedt zich niet meer in uniform maar in maat- en mantelpak (Le Pen, Meloni) en draagt een mombakkes van fatsoen. Sommigen, zoals Poetin, hebben alle schijn inmiddels laten varen en zien de wereld weer als een groot Stratego speelbord.

Trump roept onomwonden dat hij best een dictator zou kunnen jn en een groot deel van zijn uit religieuze wappies bestaande fan base gaat daarin mee. Dit in ruil voor toegezegde cadeautjes als een verbod op abortus en beknotting van LHBTI- en vrouwenrechten, of het verwijderen van onwelgevallig lesmateriaal (evolutie, et cetera) uit de klas. Trump wordt ironisch genoeg opgehemeld als dé hoeder van het traditionele kerngezin van man, vrouw en kinderen. En dit terwijl de poesjes graaiende oud-president er op zijn zachtst gezegd een vrij losse seksuele moraal op na houdt. Werden de seksuele strapatsen van Bill Clinton eerder nog aangegrepen door religieus rechts om hem af te zetten, bij Trump is er sprake van vergeten en vergeven. God kan ook met een kromme stok een rechte slag geven. Wenkbrauwen worden niet begrijpend gefronst als zijn supporters erop gewezen worden dat hij al meerdere echtgenotes heeft versleten.

Als geslepen populist weet Trump alles in zijn voordeel te gebruiken. Of het nu een mug shot is bij zijn arrestatie of de onlangs mislukte aanslag op zijn leven. Deze heeft hem geen windeieren gelegd. De sympathie voor de getergde en rancuneuze zeventiger is, zeker in het licht van het gestuntel en gemompel van zijn tegenstander Biden, na deze aanslag met sprongen omhoog gegaan. Met groot gevoel voor theater en met gebalde vuist wist showman Trump de show te stelen. Met name zijn rol als slachtoffer speelt hij  met verve. De kans is dus zeer groot dat hij er met het presidentschap vandoor gaat. Mocht dat het geval zijn, dan zal het zeker geen normaal presidentschap worden.  Toen in 2017 Trump tot president van de VS werd gekozen zijn veel dystopische romans opnieuw in de belangstelling gekomen of verwerkt tot tv-series en films. Een dystopie is de tegenhanger van de utopie. Margaret Atwoods boek ‘Het verhaal van de dienstmaagd,’ is zo’n dystopie. In dit boek heeft een fundamentalistische sekte de Verenigde Staten overgenomen en er een theocratie gesticht naar oudtestamentisch model. Vrouwen kunnen in deze nieuwe staat – genaamd Gilead – geen bezit meer hebben en zijn totaal ondergeschikt aan de man. De dienstmaagden – herkenbaar aan hun rode jurken en witte kappen – dienen slechts één doel: kinderen baren voor de Bevelvoerders en hun onvruchtbare echtgenotes. Het boek is ook verfilmd als de beklemmende tv-serie The Handmaid’s Tale. Andere auteurs die zich aan allerlei inktzwarte toekomstscenario’s hebben gewaagd zijn bijvoorbeeld George Orwell (1984) en Aldous Huxley (Brave New World).

Toekomstverwachting in de vorm van apocalyptiek heeft ook in het christendom altijd een rol gespeeld. Neem het boek Daniël. Met zijn visoenen leest Daniël als sciencefiction. Het is geschreven in een tijd van grote onzekerheid voor het Joodse volk. Beloften van een glorieus herstel van natie en godsdienst kwamen niet uit en werden naar een verre toekomst geprojecteerd. Het idee dat alle kwaad vergolden zou worden en het Godsrijk, desnoods met geweld, gevestigd zou worden op aarde heeft velen geïnspireerd. Het is een ernstige zaak als mensen hun overspannen toekomstverwachtingen zo serieus nemen dat dingen wel móéten gebeuren in hun beleving. Zo kent de serie ‘Left Behind’ (achtergelaten) van Tim LaHaye in met name Amerika een grote populariteit. In ‘Left Behind’ (16 boeken en 4 films) worden de ware gelovigen ‘opgenomen’ in de hemel. In de chaos die daarop volgt brengt een geniaal politicus orde op zaken. De man ontpopt zich echter snel tot een dictator en blijkt het Beest uit Openbaring te zijn: de Antichrist. (Vreemd genoeg zou Trump geknipt zijn voor deze functie.) Dan volgt de ‘grote verdrukking’ welke ontaardt in de moeder aller veldslagen bij Armageddon. Wanneer alles uitzichtloos lijkt, vindt Jezus’ tweede komst plaats waarna deze zijn duizendjarig vrederijk sticht. ‘Left Behind’ is natuurlijk fictie, maar is geworteld in een bepaalde Bijbeluitleg die de visioenen van Daniël en Openbaring als een soort script van de eindtijd zien. Hele volksstammen zien daarom ‘Left Behind’ als serieuze theologie. Dankzij Trump wisten deze eindtijdgelovigen zich tot in hart van de macht te manoeuvreren. Het zal blijken of zij na een eventuele overwinning van Trump hun eindtijdagenda erdoor kunnen drukken of dat ze voor hem niet meer zijn dan nuttige idioten, handig om zijn beleid - als daar al sprake van is - uit te kunnen voeren.

De toekomst ligt niet bij voorbaat vast. Of dit nu gaat om de utopische toekomst van de gebroeders Das of de meer dystopische van Atwood en Orwell. Het is de vraag aan welke toekomst we de voorkeur geven. Het idee dat de wereld op een rampzalige climax afstevent, en dit ook MOET gebeuren, heeft velen (joods, christelijk, islamitisch) al aangezet tot geweld om dit proces te versnellen. Het is ook een devaluatie van het leven hier en nu, alsof dit slechts een pijnlijk intermezzo is tussen twee eeuwigheden. Ik wil mij niet verliezen in negativiteit en somberheid maar ben er ook niet gerust op dat er binnenkort een kentering in deze beweging naar een mistroostige toekomst komt. Misschien is het inderdaad een tijdelijke neergang in een verder omhoog gaande curve naar een zonnige toekomst en nemen we straks weer de juiste afslag daarnaartoe. Dat is geen kwestie van ‘stil maar, wacht maar,’ maar vraagt voortdurende aandacht en onderhoud om deze toekomst zeker te stellen.

woensdag 3 juli 2024

Katwijk, kerkgang en de duivel in een bootje


Opgegroeid in het christelijke – of moet ik zeggen ‘kerkelijke’ – Katwijk aan Zee was de kerk nooit ver weg. De Nederlands Hervormde kerk had de meeste ‘filialen’ die, verspreid over het dorp, elke zondagmorgen en avond met klokgelui de gelovigen opriepen naar de dienst te komen. Je kon altijd goed aan de kleding van de kerkgangers zien waar een ‘zware’ predikant op de kansel stond. De heren en jongens, stemmig in pak gekleed en de dames in jurk of rok en met een hoedje op, bewogen zich dan in optocht naar de betreffende kerk. Fietsen deed je immers niet op de kostelijke zondag.  Maar als het weer al te bar was ging men toch met de auto. (Die dan buiten het zicht van de kerk geparkeerd werd waarna het kerkvolk vervolgens de laatste meters te voet aflegde.) Voor wie om wat voor reden niet in de gelegenheid was naar de kerk te gaan was er de kerktelefoon. Via dit medium kon men thuis de kerkdienst live beluisteren.

Oma van der Bent
Ons gezin had de kerkgang al vroeg eraan gegeven. Ik kan mij niet herinneren ooit in mijn jeugd op zondag naar de kerk te zijn gegaan. De zondag was vooral voor bezoekjes aan de grootouders. ’s Morgens zaten we bij oma Hartevelt en ’s middag gingen we naar oma en opa Van der Bent. Op weg daarnaartoe moesten we over de Koningin Julianabrug waar we regelmatig stoeten kerkgangers tegemoet liepen. Vaak namen deze het hele trottoir in beslag en ging men ook geen duimbreed opzij. Toen een keer de stoep opgebroken was werd het belendende fietspad als voetpad gebruikt. Een van mijn tantes die hen eens per fiets naderde werd bijna de rijbaan opgeduwd. Toen ze er iets van zei werd haar toegebeten: ‘Je behoort op zondag niet te fietsen!’ Eenmaal aangekomen bij oma en opa in de Joost Banckertstraat hoorden we in het steegje (de slop) het gebulder van de kerktelefoon van de buurvrouw Luxe Lij (bijnaam van mevrouw Sip) ons al tegemoet komen. Luxe Lij plaatste de luidspreker altijd strategisch in het open raam ‘omdat iedereen de stichtelijke boodschap horen moest.’ Het volume was dusdanig groot dat de dienst meer klonk als een gezellig samenzijn van krolse walvissen.

Oma Hartevelt
Zoals ik eerder al eens vermeldde liep ons gezin de deur van de kerk niet plat en werd deze alleen bezocht voor huwelijksvoltrekkingen en uitvaarten. Door de teloorgang van de kerkgang van mijn ouders meende mijn oma Hartevelt iets aan de geestelijke opvoeding van mij en mijn zus te moeten doen. Bijvoorbeeld door, wanneer zij op visite was, voor het slapengaan even onze slaapkamers in te gaan en ‘Ik ga slapen ik ben moe’ te zingen. Zelf had ik daar niet de minste behoefte aan en zodra ik hoorde dat oma bij mijn zus was deed ik dan ook snel het licht uit en deed of ik al sliep. ‘Hm…’ klonk het dan later verontwaardigd in de deuropening. Als oma bij ons at, of wij bij haar, werd na de maaltijd – op zondag vaak zoute snijbonen met draadjesvlees of iets dergelijks – altijd de Statenbijbel erbij gepakt waarna oma met Katwijkse tongval het tekstdeel voorlas dat die morgen ook van de kansel had geklonken. Het spreekt vanzelf dat ik weinig van de archaïsche taal begreep. Om er zeker van te zijn dat we ook echt luisterden werd na afloop altijd gevraagd: ‘Wat is ’t lèste woord?’ De indruk die het Katwijkse geestelijk leven daardoor bij mij heeft achtergelaten is er een van zwaarte en somberheid. Zo kon oma Hartevelt nog wel eens huilend van zondebesef uit de kerk komen.

Eerste klas Prins Willem-Alexanderschool
Op de protestants-christelijke Prins Willem Alexanderschool werd ook ruimschoots aandacht gegeven aan bijbels onderricht. Er waren echter aspecten aan deze vorm van geloofsonderricht die mij als gevoelig kind met een rijke fantasie behoorlijk van streek konden maken en uit mijn slaap konden houden. In de gang hing bijvoorbeeld de bekende maar voor mij doodenge poster De brede en de smalle weg. Bovenmeester J.L. van Kempen – steevast gekleed in ribfluweel en met een pijp tussen de kaken geklemd – wist te vertellen dat de duivel zich voor kon doen als een engel van het licht. Ook de calvinistische leer met zijn dubbele predestinatie[1] en de aangeboren slechtheid van ieder mens (ja zelfs van baby’s), welke hij lurkend aan zijn pijp glimlachend over zijn beïnvloedbare leerlingen uitstortte, stelde mij allerminst gerust. Ik kon mij dan ook behoorlijk zorgen maken over mijn uiteindelijke lotsbestemming in het hiernamaals. Zou ik met de gouden roltrap omhoog mogen gaan? Of zou ik via een stortkoker in de eeuwige vlammenzee terechtkomen? Dan was er nog het gegeven dat bij het laatste oordeel de graven open zouden gaan en de doden herrijzen. Dat werd doodleuk tijdens een weeksluiting in de aula van de school medegedeeld. In mijn kinderlijke verbeelding zag ik de tegels van het schoolplein in beweging komen en de doden graaiend en klauwend zich een weg naar de oppervlakte zoeken. Onderwijl daalde vanuit het gespleten wolkendek een toornige Christus neer om zijn schapen van de bokken te scheiden. De duivel boezemde angst in, maar ook God was dus niet helemaal te vertrouwen.

Dat wantrouwen werd nog eens versterkt door het volgende. Als klein potje had ik grote oren en zo werd mijn aandacht eens getrokken door iets wat mijn oma Hartevelt mijn ouders vertelde. Of ik het helemaal correct herinner is de vraag, maar oké. Mijn oma had het over een overlijden van een kind van iemand die zij kende. Ik heb geen idee meer wat de relatie was. Buurvrouw, nicht, vriendin? Wat ik hoorde was dat de betreffende persoon heel erg veel van het kind moet hebben gehouden. Misschien wel té veel, dacht oma. Je mag immers niet meer van mensen houden dan van God. Omdat God een jaloerse god is zou hij gedacht hebben: ‘Ik neem jou je oogappel af.’ Zo gezegd, zo gedaan. Ik kreeg er de rillingen van. God moet je te vriend houden, maar hij kan je dus ook in zijn grilligheid zomaar of uit jaloezie voor een bus gooien. Net als in het bijbelboek Job zouden God en Satan wel eens onder een hoedje kunnen spelen.

De duivel figureerde  daardoor vaak in mijn nachtmerries. Zo is één droom in het bijzonder mij goed bijgebleven. Ik ben met mijn ouders in een donkere omgeving. Er is een kade waaraan een bootje ligt aangemeerd. Aan boord sommeert een dreigende figuur met een gehoornde helm en soort robotgezicht ons om aan boord te gaan. Het is de duivel die ons probeert te ontvoeren. Mijn ouders en ik nemen de benen, weg van de kade. Rennend belanden we in een soort trappenhuis. De duivel zit ons op de hielen en ik zie maar één manier om aan hem te ontkomen: door héél hoog te springen! Zo vlieg ik de lucht in, spartelend met mijn armen en benen, en raak met mijn hoofd een bruin tentdoek. Dat moet de hemel zijn, denk ik, terwijl ik in de verte mijn ouders de trap zie afhollen. Het was het soort droom die mij na mijn ontwaken angstig en badend in het zweet naar de slaapkamer van mijn ouders deed snellen. ‘Mam, pap! Ik droomde dat de duivel ons in een bootje probeerde te ontvoeren!’ ‘Ontvoeren in een bootje? Waar heb je het over?’ was de slaapdronken reactie.

Duivel in een bootje

Terugkijkend besef ik toen behoorlijk in een soort bubbel van kerkelijkheid en zondagsrust vertoeft te hebben. Dat kerkelijke was immers op veel plaatsen buiten Katwijk al behoorlijk aan het afkalven. Eenmaal op de middelbare school in Leiden hoorde ik dan ook vaak zeggen dat, als je in Katwijk kwam, je ook dertig jaar terug in de tijd ging. Maar ik blijf het wonderlijk vinden hoe dergelijke vroeg ingeprente indrukken je hele leven meegaan en van invloed kunnen zijn. Toen ik een aantal jaren geleden een ingeving had dat God wel eens niet zou kunnen bestaan was dat eerder een opluchting dan iets wat mij angst inboezemde. Ik kon zeggen dat ik de toornige en wispelturige god van mijn jeugd los had gelaten. Daarin herkende ik mij ook in de verzuchting van velen die hun beklemmende geloof afschudden en ontdekten dat het speelveld van de wereld groots en ruim is in tegenstelling tot de benauwde kaders waarbinnen zij zich eerder bewogen. Of nauwelijks durfden te bewegen. Het is niet dat ik met afkeer of ongenoegen op mijn Katwijkse achtergrond terugkijk. Integendeel. Het is ook geen afrekening daarmee, maar eerder een herijking en evaluatie in het licht van veranderde inzichten. De nestgeur van zeekaak en haring raak je denk ik niet kwijt. Maar dat ik, zoals een Katwijkse collega ooit suggereerde, diep in mijn hart wel weer terug zou willen verhuizen naar Katwijk klopt niet. Ik voel me immers prima thuis in het vrijzinnige Rijswijk.


[1] Het leerstuk dat God van tevoren heeft bepaald welke mensen hij zal uitverkiezen en welke hij zal verwerpen en eindigen als brandhout voor de hel.



Nein sagen

  Ik mag graag een boekwinkel bezoeken wanneer ik op vakantie ben. Duitsland is een land waar er veel te vinden zijn, zoals die van de grote...