Vrijzinnigheid is het venndiagram waarbinnen ze elkaar
overlappen, hoewel de Doopsgezinden zich eerder ‘ondogmatisch’ zullen noemen. Men
is over het algemeen wars van al te grote stelligheden en allergisch voor
voorgeschreven leerstellingen en in beton gegoten geloofssystemen en
godsbeelden. Twijfel en vragen stellen mag. ‘Dingen ter discussie stellen,’ zoals
op de site van de Remonstranten te lezen is. Binnen deze kringen zal de een
zich vrijzinnig gelovig noemen, de ander schurkt wat meer tegen het religieus
humanisme aan.
De Remonstranten kennen wel een ‘geloofsbelijdenis’ (opgesteld
in 2006) maar men spreekt eerder van een beginselverklaring. Nieuwe leden
ondertekenen deze, maar schrijven daarnaast een eigen geloofsbelijdenis. De
beginselverklaring stelt dat ‘onze bestemming niet in onverschilligheid en
hebzucht gevonden wordt, maar in verbondenheid met al wat leeft.’ En: ‘dat ons
leven deel is van een oneindig groter, onbevattelijk geheel.’ God wordt
ondoorgrondelijke liefde genoemd en grond van het bestaan. Sommigen zullen zich
unitariër noemen (die wijzen de drie-eenheid af) of pantheïst (kort door de
bocht: God is alles, alles is God).
Ook de Doopsgezinden of Mennonieten[1]
hechten waarde aan persoonlijke geloofsvrijheid, waarin men vrij is om te
bevragen en te twijfelen. Doopsgezinden zien zich vooral als een doe-gemeenschap,
onder het motto: ‘Daden gaan woorden te boven,’ en zijn bekend als pacifisten
en in de kern geweldloos in hun streven naar vrede en gerechtigheid. In
tegenstelling tot de Remonstranten – die een bijna uitsluitend Nederlandse
aangelegenheid zijn – maken de Doopsgezinden deel uit van een wereldwijde geloofsgemeenschap.
Alleen worden de vrije en blije Nederlandse Doopsgezinden door hun strengere broeders
en zusters in Noord-Amerika met enig wantrouwen bekeken.
Vrijzinnigheid staat binnen meer orthodoxe of behoudende kringen
vaak in een kwade reuk. Menigeen ziet vrijzinnigheid – als dat eenmaal wortel
schiet – als een glijdende schaal naar geloofsafval en kerkverlating. Zo werd,
en wordt, de gereformeerde theoloog Harry Kuitert (1924-2017) als hét
vrijzinnige paard van Troje bij uitstek gezien. Met zijn boeken als Het
algemeen betwijfeld christelijk geloof en uitspraken als ‘dat alle spreken
van Boven van beneden komt, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’[2]
wordt hij bijna persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor de sloop en leegloop
van de kerk.
Over de hele brandbreedte van de christelijke kerken is er
sprake van leegloop in Nederland geweest. Uitzonderingen zijn de behoudende reformatorische
kerken en de pinkster- en evangelische gemeenten. In het laatste geval zijn er
diverse megakerken ontstaan die vele duizenden gelovigen weten aan te trekken
met popachtige muziek en zang begeleid door een band, en een prediking door
hippe, in jeans en sneakers gestoken voorgangers die bladerend door de bijbel
hun – over het algemeen vrij traditionele – boodschap aan de man en de vrouw
brengen. De groei van deze megakerken gaat soms, en soms vaak, ten koste van het
ledental van andere kerken in de omgeving waardoor deze soms weinig vlijend
stofzuigerkerken worden genoemd.
In mijn omgeving reageren mensen soms bijzonder als ze weten
dat ik nog wel eens voorga in een kerk. Een collega verontschuldigde zich zo
eens omdat ze ‘verdomme’ in mijn aanwezigheid zei. Echt, daar lig ik niet
wakker van. Totáál niet. Anderen hebben niets met kerk of religie en zien dit
als de wortel van alle kwaad en één grote bron van ellende. (Tja, het
geschiedenisboek van de christelijke religie kent bijzonder duistere passages.)
Of men denkt dat ik ook een vrij traditioneel godsbeeld heb van een opa-achtige
Vader in de hemel, omringt door een hemelse entourage, die straf en cadeautjes naar
believen uitdeelt als ware hij Sinterklaas. Ook daar kan ik niets mee. Gepasseerd
station.
Waarom dan toch die (vrijzinnige) kerken? Ik houd van de
openheid, de bereidheid tot vragenstellen, de moed om te twijfelen aan dogma’s
en stelligheden, de (oproep tot) verdraagzaamheid en de positieve houding naar
wetenschap, kunst en cultuur en de aansporing vooral zélf over dingen na te
denken en in gesprek met elkaar tot diepere inzichten te komen. Bovendien zetten
veel kerken zich in om de samenleving op te bouwen door het ondersteunen van
projecten als de voedselbank en voor een beter klimaat. Alles vaak op
vrijwillige basis.
Het moet gezegd dat het de vrijzinnigheid niet voor de wind
gaat. Misschien omdat vrijzinnigheid met een stukje vrijblijvendheid gepaard gaat.
Je móét niet naar de kerk je mág. Veel van deze kerken kampen met vergrijzing. Er
zijn minder schouders en de schouders zijn minder sterk. Als ik voor de
kerkzaal sta zijn het soms twintig kerkgangers die de moeite hebben genomen om
op zondagmorgen uit hun bed te komen. (Dank u.) Dan is dat al heel wat. Het doet
me dan ook veel deugd als mensen na afloop mij bedanken voor de inspirerende
woorden en dat ik ‘weer iets mee had gegeven om over na te denken, leeftocht
voor de week.’ (Een kritische voetnoot komt ook voor hoor.)
Ik zou het jammer vinden als deze geloofsgemeenschappen
zouden verdampen. Een van de redenen is dat ze vaak in de voorhoede hebben gestaan
voor verdraagzaamheid en vrede, voor emancipatie van (seksuele en andere)
minderheden. Zo waren het deze kerken die als eerste vrouwen een plaats op de
kansel gunden en relaties van mensen van hetzelfde geslacht inzegenden nog voor
dat het burgerlijk huwelijk daar klaar voor was. Een aantal jaren geleden wierven
de Remonstranten leden met posters waarop onder meer te lezen was: ‘Mijn God
trouwt ook homo’s. Het heeft voor een kleine aanwas gezorgd.
Veel van het vrijzinnige gedachtegoed is gemeengoed geworden in onze maatschappij (en ook in andere kerken) maar de laatste jaren staat dit meer en meer onder druk. Met name door algoritmen van sociale media die vooral verontwaardiging, boosheid en haat produceren. Vrijzinnige kerken zijn al lang - maar inmiddels niet uitsluitend - de natuurlijke bondgenoot van mensen van de regenboog- of queergemeenschap. Als gesprekspartner van overheid kunnen ze invloed uitoefenen op beleid en een spreekbuis vormen voor mensen die in de verdrukking dreigen te komen. Als plaatsen van gemeenschap en zingeving kunnen ze ruimte bieden voor ontmoeting waarin mensen echt met elkaar praten en uit de eigen bubbel kunnen stappen. Zoiets lijkt me vrij zinnig. Het zou jammer en een verarming zijn als die mogelijkheid verdwijnt.
[1] De
oorsprong van de Mennonieten ligt in Friesland waar de voormalige priester Menno
Simons (1496-1561) als reactie op de gewelddadige gebeurtenissen rond de radicale
Anabaptisten of Wederdopers alle geweld afzweerde.
[2] Zo zei
hij ook dat geloof een ‘antropologisch vloertje’ heeft. Ofwel: geloof, en
theologie, is dus mensenwerk.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten